1 Januari 2022

Rense Sinkgraven - Groningen / Schrijvers over de duivensport.9

Deze keer breng ik een ex-duivenliefhebber voor het voetlicht in de serie columns over schrijvers in de duivensport. Het betreft de 56 jarige voormalig stadsdichter van Groningen, Rense Sinkgraven. De reden dat ik met hem in gesprek ging voor deze column is zijn recent verschenen boek Dorus de Doffer. In deze roman draait het om de duivensport. Dat is op zich best wel bijzonder en gebeurt maar zelden. Behalve dit nieuwe boek van Rense ken ik alleen “Hemelval” van Arjan Visser en “De weg terug” van Jon Day (uit het engels vertaald) naast enkele losse verhalen in verhalenbundels van Simon Carmiggelt en Maarten ’t Hart waarin een duivenmelker centraal staat.

Rense komt van oorsprong uit Sint Jacobiparochie en is in Smilde opgegroeid. In deze laatste plaats is zo rond 1977 de liefde voor de postduif ontstaan. De buurman van een vriendje was de nu nog steeds met duiven spelende Harm Jansma. Deze wist het enthousiasme voor de duif en de duivensport op Rense over te brengen en een jaar later was Rense lid van PV Snel te Smilde. Helaas is deze club vorig jaar opgeheven. Rense heeft tot 1988 met postduiven gespeeld. De successen waaraan hij mooie herinneringen bewaart, zijn het winnen van een 1e in de club op Nationaal München en een duif die in het jaar dat Rense stopte met de duivensport 3 x bij de eerste 3 in de club vloog. Maar het zijn vooral andere zaken waarom Rense regelmatig met weemoed en nostalgische gevoelens aan de duivensport terugdenkt. Zoals de omgang met - en het verzorgen van de duiven, de spanning van de wedvluchten, de omgang met andere duivenmelkers en het sfeertje in de club. Op afstand volgde hij de duivensport nog wel een beetje. Zo volgde hij via internet de successen van oud clubgenoot Henri Hoeks op de marathons en las hij zo nu en dan iets wat hem toevallig onder ogen kwam over de duivensport. Zo deed het hem goed om te lezen dat de duivensport op de lijst van cultureel immaterieel erfgoed is geplaatst. Maar tegelijkertijd las hij dat de duivensport met een rap tempo veel leden verliest en dat er maar weinig nieuwe duivenliefhebbers bijkomen. En dat deed hem pijn. Mede vanuit dit gevoel is het idee ontstaan om een roman over de duivensport te schrijven met daarbij de stille hoop dat hierdoor misschien weer mensen besluiten om met postduiven te starten of een herstart te maken.

De hoofdpersonen in het boek Dorus de Doffer zijn twee duivenmelkers die beiden succesvol zijn op de grote fond. Beiden hebben hun favoriet, die al menige vroege prijs op de fond gewonnen heeft, ingekorfd op St. Vincent. Uit de wijze waarop Rense beide liefhebbers beschrijft en de manier waarop zij de duivensport beoefenen, de voorbereiding op de vlucht, de sfeer in het duivenlokaal, de vleugel- en ogentheorie benoemt, de namen van beroemde melkers uit het verleden, enz. is meteen duidelijk dat hij een insider is. Voor veel van de feiten en situaties kon hij uit zijn eigen herinneringen putten. Toch heeft Rense veel research gedaan. Alles moest kloppen in zijn roman, tot en met de kleinste details. Rense; “In mij schuilt een onderzoeker. Gedurende de 10 jaar dat ik actief was in de duivensport las ik alles wat maar voor handen was over de duivensport. Boeken van John Lambrechts, Leon Petit, Piet de Weerd, Jacques Tournier, Arie van de Hoek en vele andere bekende duivenboekenschrijvers werden door mij verslonden. De vleugeltheorie van Vanderschelden boeide mij, net zoals het verhaal/mythe over de Dokus van Remi Gadeyne. De Dokus staat min of meer model voor de Dorus in mijn roman. De sfeer van de duivenliefhebbers onder elkaar in het clubgebouw is zoals ik me die herinner. De foute grappen en de moppen over seks vond ik als tiener natuurlijk erg grappig. Sommige liefhebbers, waarmee ik in contact kwam in de club, door een opgevangen duif of waar ik als jeugdlid eieren of duiven van kreeg, waren markante personen. Dat boeide mij ook. Dat er duivenliefhebbers zijn onder alle lagen van de bevolking, van vuilnisman tot directeur van een grote onderneming die elkaar allemaal treffen in het duivenlokaal, vind ik een bijzonder mooi aspect van de duivensport.”

Rense geeft aan dat hij de liefde voor de duivensport nooit verloren heeft. Maar opnieuw beginnen zit er niet in. “Als je het goed wilt doen, moet je de duivensport gedegen aanpakken en dat kost veel tijd en dat heb ik niet. Daarnaast heb ik het uitselecteren van duiven die niet goed presteerden, altijd heel moeilijk gevonden. Met veel van mijn duiven had ik wel een band en dat waren lang niet altijd de beste duiven. Een aanhankelijke duif die meteen begint te koeren als je het hok binnen komt, of een duif die tijdens het hok schoonmaken op je rug gaat zitten, of een duif waarmee je een altijd een robbertje knokt in zijn broedhok, dat waren wel de dingen waarvan ik enorm kon genieten. Het weg moeten doen van zulke duiven omdat ze niet goed presteren is iets dat ik waarschijnlijk niet meer zou willen/kunnen.”

De twee hoofdpersonen in Dorus de Doffer hebben een heel tegenovergesteld karakter. Persoonlijk herkende ik tot mijn verrassing vrij veel van mijzelf in de beschrijving van beiden. Ik was daarom ook best benieuwd hoe Rense tot deze personages is gekomen. Rense; “Vanaf het begin was het mij duidelijk dat er een soort van tweestrijd in het boek moest komen om de vaart er in te houden. Door één van beiden neer te zetten als een persoon met een minderwaardigheidsgevoel die erg aan zichzelf twijfelt en respect heeft voor al wat leeft en de ander als zijn tegenpool, met daarbij het wedstrijdelement van de vlucht vanuit St Vincent, wordt de spanning in het boek opgebouwd. Ik wilde een roman schrijven die dicht bij de werkelijkheid blijft, vandaar ook dat ik bijna elk feit heb geverifieerd of dit ook echt plaats had kunnen vinden. Al met al ben ik mede hierdoor met het schrijven van deze roman zo’n 5 jaar bezig geweest. Maar daarnaast moest het wel spannend zijn, met een verrassend slot. Aan de vele reacties die ik zowel uit duivenmelkerskringen ontvang als van mensen die niet met de duivensport bekend zijn, ben ik daar wel in geslaagd. Dat vind ik uiteraard fijn.”

Rense geeft aan dat hij in de beginfase van het schrijven een paar maal bij Hielko Postma in Eenrum is langsgegaan om inspiratie op te doen. Dat het in zijn boek over fondspelers zou gaan was van begin af aan al duidelijk voor Rense. Hij heeft altijd grote bewondering gehad voor de marathonduiven. Dat hij zodoende bij Hielko terecht kwam lag voor de hand. Deze was immers voor het noorden de pionier van het marathonspel. In de periode dat Rense zelf actief was, boekte Hielko grote successen, waardoor hij vanwege de enorme afstanden die zijn duiven af moesten leggen op vluchten als St Vincent en Dax, in den lande veel bewondering oogstte. (In mijn column van 30 juni 2016 liet ik Hielko hierover zelf aan het woord.) Hielko kon helaas de drukproef van de roman niet meer lezen omdat hij vorig jaar is overleden. Toen Rense hoorde dat Johan Groenbroek uit Wagenborgen de laatste jaren met Hielko samen had gekweekt, besloot hij om Johan te vragen de drukproef te lezen en van commentaar te voorzien. (Recent heeft RTV Noord een leuk artikel over Rense en Johan geschreven https://www.rtvnoord.nl/nieuws/875824/rense-sinkgraven-geeft-in-nieuwe-roman-inkijkje-in-de-duivensport# )

Tot slot wil Rense nog benadrukken dat een sport/hobby als de duivensport niet verloren mag gaan in ons land. De Nederlandse postduif staat wereldwijd bekend vanwege zijn kwaliteit. Maar als het zo doorgaat, gaan landen waar de duivensport in de lift zit als Roemenië, Polen en China ons voorbij. Rense; “Jammer dat in Nederland de duivensport krimpt terwijl elders in de wereld een omgekeerde beweging gaande is. Hier ligt een belangrijke taak voor de bond. Deze zal er alles aan moeten doen om het aantal duivenliefhebbers niet verder te doen slinken. De romantiek is grotendeels weg lees ik. Op één of andere manier moet dat element weer wat terug komen. De verzakelijking krijgt de duivensport teveel in haar greep lijkt het. Daarnaast moet het spel hoe dan ook eerlijker. Het mag niet zo zijn dat de grote melker de kleine melker totaal overvleugeld. Dat maakt de sport kapot.”


 

1 december 2021

Jeugd en Duivensport.8 / Bart Booyink - Langeveen

Het is inmiddels alweer zes jaar geleden dat ik de vorige column over een jeugdlid schreef.  Gedurende de eerste 5 jaar dat ik met de-duivencoach.nl actief ben werd ik bijna maandelijks met een jeugdlid geconfronteerd. De afgelopen jaren gebeurt dat helaas nog maar nauwelijks. In die tijd bestond de stichting Promotie Postduivensport Nederland (PPN) nog. Deze stichting was destijds zeer actief met het onder de aandacht brengen van de duivensport bij de jeugd. Met onder andere hun schoolhokjesproject hebben zij destijds beslist een aandeel gehad in de toename van jeugdleden. Het zullen er geen honderden zijn, maar ik heb toch wel wat liefhebbers ontmoet die dankzij dit project met de duivensport begonnen zijn. Sinds 2014 bestaat de PPN echter niet meer en zijn hun activiteiten overgenomen door de afdeling jeugdzaken van de NPO. Blijkbaar heeft de jeugd geen prioriteit meer. Op zich is dat best jammer, want als je niet in aanraking met de duivensport komt zal je er ook niet aan beginnen. Dit zou ook zeker zo geweest zijn bij de 21 jarige Bart Booyink uit Langeveen, de hoofdpersoon van deze column. Als hij niet als kleine jongen door zijn opa die naast hem woonde (Bennie Dijkers) met het duivenmelkersvirus was besmet, dan had hij hoogstwaarschijnlijk nu geen duiven gehad. Bart; “Ik weet niet beter dan dat er altijd duiven in mijn leven zijn geweest. Al op mijn 9e jaar ben ik in combinatie gaan vliegen met mijn opa. Helaas is hij in 2014 overleden en moest ik vanaf mijn 14e alleen verder. Tot die tijd waren we altijd samen. Ik hielp opa altijd met de duiven en ook met zijn andere hobby’s. Hij had onder andere een moestuin en een stuk land waarop hij boompjes kweekte die hij verkocht. En in de winter verkocht hij ook vuurwerk.”

Ondanks dat Bart met de duivensport is opgegroeid en inmiddels al een jaar of twaalf bezig is, vindt hij de duivensport nog best ingewikkeld. Bart; “Eigenlijk is bijna alles in de duivensport best wel lastig. Er zijn zoveel meningen over essentiële zaken. Bijvoorbeeld hoe vaak moeten ze trainen per dag? Wat is goed voer en wat is de juiste hoeveelheid? Welke supplementen zijn beslist nodig? Wel of geen medicatie? Alleen al over voeren lijkt bijna niemand het eens te zijn. Hoe kom je er achter wat het beste voer is? Er zijn zoveel verschillende merken! En wanneer voer je voldoende? Wat is niet te krap en wat is niet teveel?” Bart heeft dus nog genoeg uit te zoeken. Op mijn vraag of hij hulp heeft en of er mensen zijn van wie hij adviezen krijgt, geeft hij dat hij vooral zelf zoveel mogelijk wil uitzoeken. “Natuurlijk vraag ik wel eens om raad aan andere liefhebbers, maar vaak volg ik mijn eigen weg en doe dingen waar ik een goed gevoel bij heb. Ik zit in een groepsapp met vooral Limburgse liefhebbers. Dit appgroepje heet De Knoeiers. Met hen wissel ik wel ervaringen uit. En verder heb ik hier in de buurt een aantal duivenvrienden waar in de wintermaanden vaak een biertje mee gedronken wordt. Het draait hierbij vooral om de gezelligheid.”

Bart is met zijn 21 jaar uiteraard nog volop aan het genieten van waar jongens van zijn leeftijd zich doorgaans in hun vrije tijd mee bezig houden (uitgaan onder andere). Dat is niet altijd te combineren met de duivensport. Na een korte nacht ’s morgens vroeg er weer uit om de duiven te verzorgen bijvoorbeeld, zal niet altijd meevallen. Ik vroeg Bart of dit betekent dat de duivensport momenteel op een laag pitje staat. Bart; “Nee beslist niet. In ieder geval niet tijdens het vliegseizoen. Ik ga tijdens het vliegseizoen nauwelijks uit. Als ik met de duiven bezig ben wil ik daar 100 % voor gaan. Duivensport staat bij mij op de eerste plaats en daarna pas andere dingen. Bovendien is het in ons clubgebouw ook altijd gezellig, ook al zijn er geen jongens van mijn eigen leeftijd. En daarnaast heb ik zoals ik al zei een vriendengroepje van duivenliefhebbers waarmee ik veel optrek. Zo zijn we dit jaar met een groepje van 4 duivenvrienden naar Portugal gegaan. Daar hebben we mee gedaan aan de OLR Golden Algarve, helaas zonder succes. Maar het waren zeer gezellige dagen en daar gaat het uiteindelijk ook om.”

Bart geeft aan dat hij het vanaf komend jaar nog serieuzer gaat aanpakken. Zo heeft hij recent een nieuw hok gekocht en ook is er het afgelopen serieus geïnvesteerd in duiven. “Tijdens de jaren dat ik als jeugdlid met mijn opa samen speelde, draaide het vooral om de hobby en de omgang met de duiven. Ik was vooral bezig met het tam maken van de jonge duiven. Ik was 14 jaar toen mijn opa overleed en ik er alleen voor stond. Ik heb toen de achteraf onverstandige keuze gemaakt om over te schakelen naar de overnacht. Na een aantal jaren met vooral teleurstellingen verhuisde ik met mijn vader, broer en zusje in 2019 naar Langeveen. Daar ben ik opnieuw begonnen en vanaf dat moment me weer op de programmavluchten gaan richten. Ik ben inmiddels van school af en aan het werk als constructiewerker waardoor ik in staat ben om een beter hok en betere duiven te kopen. De eerste twee jaar vloog ik op een garage die ik zelf tot duivenhok had omgebouwd. Maar dit was geen goed hok. Afgelopen najaar heb ik het hok van Corné van Oeveren gekocht. Op dit hok is zowel door Corné als daarvoor door Eijerkamp goed gevlogen. Na een paar weken merkte ik al dat de duiven beter in conditie kwamen op dit hok. Ook heb ik betere duiven aangeschaft. Als scholier kon ik geen duiven kopen en moest ik het voornamelijk doen met krijgertjes van liefhebbers uit de buurt. Nu ik wel wat geld te besteden heb, ben ik programmaduiven gaan aanschaffen bij topspelers als Dick van Oort (Zaltbommel), Jan Hooymans (Kerkdriel), Leon Dautzenberg (Kerkrade), Van Oss (Velddriel) en Kees Roelofsen (Heyenrath). Ook zitten er gekregen of samenkweek duiven van Sebastiaan Kolenbrander (Harbrinkhoek), DEBO (Manderveen), Willem Tiellemans (Schaijk) en Bennie Kuipers (Geesteren). Voor de fond heb ik ook twee koppels. Deze komen van Batenburg v.d. Merwe (Klaaswaal en H.Geerink & Zn (Tubbergen).”

In eerdere columns over dit onderwerp is meerdere malen benoemd, dat voor schoolgaande jeugd die zelfstandig de duivensport beoefent, het tegenwoordig vrijwel niet betaalbaar meer is. Dit wordt door Bart ook aangegeven. “De duivensport is niet goedkoop en zeker niet op een leeftijd dat je naar school gaat. Grotendeels betaalde ik het zelf door naast school te werken, maar mijn vader sprong ook wel eens financieel bij. Aan hem heb ik te danken dat ik nog steeds met duiven kan spelen. Ook nu springt hij weer regelmatig bij. Financieel is dat dus niet meer nodig, maar nu ik werk kom ik geregeld tijd te kort om alles goed te doen.  Hoewel mijn vader niets met duiven heeft helpt hij mij gelukkig altijd wanneer het nodig is met de duiven loslaten, africhten, bad geven etc. Ik ben hem veel dank verschuldigd. Ook ben ik mijn werkgever dankbaar dat hij mij in staat stelt om in het vliegseizoen een uur later te beginnen, zodat ik meer tijd heb om de duiven ’s morgens te verzorgen en te laten trainen. Die uren haal ik in de wintermaanden dan weer in.”

Zoals gezegd was de duivensport voor Bart tot zijn 20e vooral een hobby. Nu, met een nieuw vlieghok van 8.70 meter bij 2.00 meter en een kweekhok van 2.20 meter bij 2.00 meter, plus de eerdergenoemde nieuw aangeschafte duiven, is het voor Bart meer dan een leuke hobby. Hij wil nu zijn best gaan doen om mooie prestaties te behalen. Bart; “Ieder die met postduiven speelt, zal wel dromen hebben als ooit een Olympiadeduif bezitten of bij de Nationale kampioenen eindigen. Die dromen heb ik uiteraard ook. Maar je moet wel realistisch blijven. Eerst maar eens proberen om een keer bij de top 10 NPO te vliegen en dat is in onze Afdeling 9 al een heel lastige opdracht. Maar zoals het afgelopen jaar in mijn 2e jaar op dit adres is gegaan, ben ik al heel tevreden. Zo vlogen mijn jonge duiven dit jaar op Weert o.a. de 11e, 17e en 21e tegen 7126 duiven. Zulke mooie uitslagen geven me hoop voor de toekomst. Daarnaast heb ik afgelopen jaar samenkweek gedaan met goede duivenvriend Sebastiaan Kolenbrander. Uit dit koppel heb ik voor mij zelf 2 jongen gekweekt en die vliegen samen een 1e, 2e, 2e, 3e en een 5e plaats in de vereniging. Ook Sebastiaan had uit dit koppel een beloftevolle duif. Hier gaan we dit jaar weer mee samen kweken.”

Hoewel Bart dus serieus werk wil gaan maken van het sportieve element van de duivensport blijft voor hem het sociale gebeuren ook erg belangrijk. “Ik ben lid van de Luchtbode Tubbergen wat een zeer gezellige vereniging is met leuke activiteiten in het jaar. Zo gaan we elk jaar met de hele vereniging in een grote bus naar de duivenmarkt in Lier. Hier koopt iedereen een duif, of meerdere en hier houden we onderling een competitie mee. We hebben jaarlijks in de zomervakantie een fietsmiddag met de vereniging waar we een aantal kroegen langs gaan, en zo hebben we nog wel een aantal leuke activiteiten. Dat is voor mij ook één van de mooie kanten van de duivensport. Gelukkig hebben we nog wel een aantal jongere leden onder de 50 jaar. Dat mag je in de duivenwereld wel jong noemen. Hierdoor komt het vele werk niet op enkele schouders terecht. Mijn taken bestaan vooral uit het computerwerk met het inkorven en het afslaan.

Tot zover één van de jongere duivenliefhebbers in de sterk vergrijsde duivensportwereld. Ik ben erg benieuwd hoe de duivensport er uit ziet als hij de leeftijd van de gemiddelde duivensporter heeft bereikt. Als de duivensport dan nog (over circa 50 jaar) bestaat.


1 November 2021

Henk van Caam - Steenbergen / Schrijvers over de duivensport.8

In deze inmiddels achtste column over schrijvers in de duivensport staat iemand centraal die behalve met schrijven in o.a. de Fondkrant en de Vredesduif op vele fronten actief is geweest in de duivensport. Het betreft de 70 jarige Henk van Caam uit Steenbergen. Henk kwam ruim 52 jaar geleden met de duivensport in aanraking toen hij zijn vrouw Lea leerde kennen die een dochter was van de bekende topliefhebber Leo Roks. Na daar een paar keer de duiven van een wedvlucht te hebben zien thuiskomen was hij verkocht. “Ik vond het zo fascinerend dat duiven van vluchten diep in Frankrijk hun hok weer konden vinden, dat ik daar meer van wilde weten. Na zelf een hokje getimmerd te hebben, kreeg ik van mijn toen aanstaande schoonvader mijn eerste duiven. Met veel raad en daad van mijn schoonvader die alleen de marathon vluchten speelde, kwamen de eerste successen. En vanaf toen was ik helemaal in de ban van de duivensport en in het bijzonder van de marathon. Het is met name de spanning of er al duiven zijn gemeld op een kortere afstand en de grote bewondering voor de duiven dat ze na meer dan 1000 km vliegen en soms meerdere dagen en nachten onderweg te zijn geweest, hun hok weer bereiken. Ook het vele contact met andere fondspelers vanuit het hele land, tijdens het wachten op de duiven, vind ik een mooi aspect van de grote fond.”

Henk kan terugkijken op vele mooie successen zoals de beste marathonduif van de C.C. Zuid Union en vele kopprijzen op nationaal niveau alsmede op de ZLU vluchten. Ook op afgelopen jaar kijkt Henk tevreden terug met onder andere een 1e in de club, cc en in de Z.U.F.  op St. Vincent wat nationaal een 105e was tegen 11.617 duiven. Henk hoopt het nog eens mee te mogen maken om een 1e nationaal te spelen. Als voormalig schrijver en medewerker van de Fondkrant en Vredesduif heeft hij meerdere malen van dichtbij meegemaakt wat het met iemand doet die dit genoegen heeft mogen smaken. Ook heeft hij in de wintermaanden menig overwinnaar en kampioen op het podium in het zonnetje mogen zetten. Zo heeft hij diverse huldigingen gedaan voor de Fondspiegel en de nationale kampioenen op de Nationale Manifestatie. Ook hieraan bewaart hij mooie herinneringen. Nu zelf nog een keer gehuldigd worden voor het winnen van een nationale vlucht, zou de cirkel rond maken.

Vanwege bovengenoemde activiteiten heeft Henk in de loop van de jaren een grote kennissen en vriendenkring binnen de duivensport opgebouwd. Henk: “Ik ben erg veel met Bram Walpot (destijds eigenaar van de Fondkrant en later ook van het NP Orgaan) op pad geweest. Ik heb op diverse beurzen in Nederland en België gestaan en ook bezochten we vele leveranciers van duivensportartikelen, bestuurders van de NPO en afdelingen. Daarnaast had ik veel contact met de diverse schrijvers van genoemde sportbladen. Feitelijk was mijn belangrijkste taak het aansturen van de medewerkers die voor deze bladen schreven. Maar omdat er vaak een tekort was aan medewerkers, viel ik wel eens in om reportages te schrijven. Dat vond ik ook een leuke en interessante bezigheid. Vooral om te zien hoe deze liefhebbers hun duiven hadden gehuisvest. En ik leerde veel over de manier waarop zij hun favorieten hadden voorbereid. Ook heb ik veel verkooplijsten samengesteld. Dit was eveneens een hele interessante bezigheid. Bij het achterhalen van ontbrekende info had je ook weer contact met vele liefhebbers. En dan kreeg ik vaak persoonlijke ervaringen te horen. Er was soms heel wat persoonlijk leed aan een verkoping vooraf gegaan. In die 25 jaar (tussen 1996 en 2011) heb ik heel veel contact gehad met mensen uit allerlei lagen van de bevolking. Het was een drukke maar prachtige tijd die ik niet graag had willen missen. Nu ben ik alleen nog druk met mijn eigen duiven en het voorzitterschap van P.V.de Vredesduif in Lepelstraat.”

Het ligt voor de hand dat Henk zelf ook veel gelezen heeft over de duivensport. Ik vroeg hem wat hij zelf het liefst leest en wat hem het meest opvalt als hij columns of reportages van tegenwoordig leest en deze vergelijkt met de tijd dat hij zelf in die wereld actief was. “Uiteraard heb ik veel gelezen en doe dat nog steeds, maar ik ben wel steeds selectiever geworden in de loop van de jaren. Vroeger had je een paar duivenkranten en ik las dan zowat alles wat er over de zware fond werd geschreven. Met de komst van internet is er ontzettend veel meer te lezen over de duivensport. Maar van de kwaliteit van het meeste wat ik op internet voorbij zie komen word ik niet enthousiast. Veel liefhebbers die op internet actief zijn, schrijven uit eigen belang. Uitzonderingen daargelaten, maar die zijn op een hand te tellen. Wat er op de sociale media als Facebook geschreven wordt lees ik helemaal niet. Want wat ik daarvan mee krijg is dat er een categorie duivenmelkers op Facebook actief is, die vaak zonder nadenken van alles over de duivensport plaatst waarmee ze nogal eens de duivensport een slechte dienst bewijzen. Deze liefhebbers dragen niet bij aan het behoud van onze duivensport. Ik vind dat erg jammer. Het zou mooier zijn als internet en de sociale media meer gebruikt zou worden om de duivensport te promoten.”

John Logemann, die ik in de vorige column over dit onderwerp aan het woord liet, gaf aan dat hij op internet vooral zoekt naar informatieve, wetenschappelijke artikelen over postduiven. Onderwerpen als oriëntatie bij postduiven, genetica of voeding bijvoorbeeld. Naar zijn mening is er op internet genoeg leerzaams te vinden over duiven. Ik ben het met John eens maar weet inmiddels dat de meeste duivenliefhebbers echter niet of nauwelijks geïnteresseerd zijn in leerzame artikelen. Ik vroeg Henk of hij dat herkent en wat naar zijn mening het liefst gelezen wordt door de meeste duivenliefhebbers. “Zeker herken ik het dat er minder interesse is in educatieve artikelen. Men leest vooral graag verhalen over beroemdheden in de sport, maar ook over kleine liefhebbers die met een klein aantal duiven topprestaties leveren. Men wil graag weten hoe deze liefhebbers hun duiven verzorgen en klaar maken. Waardoor en waarom zijn deze liefhebbers tot die prestaties gekomen?” Ik denk dat Henk daar gelijk in heeft, maar naar mijn mening zijn veel liefhebbers daarnaast vooral ook op zoek naar eventuele geheime middelen in de vorm van medicatie of supplementen. Hoe denkt Henk hierover? “Ik geloof niet in geheimen. Het allerbelangrijkste zijn goede duiven en die zijn er weinig. Natuurlijk zijn er goede bijproducten, maar of ze noodzakelijk zijn om goed te presteren is zeer de vraag. Veel verhalen over geheime middelen komen volgens mij voort uit afgunst ten aanzien van liefhebbers die regelmatig goede uitslagen neerzetten.”

Tot slot wil Henk nog wel wat kwijt over zijn kijk op de hedendaagse duivensport.

De commercie viert momenteel hoogtij in onze sport. Daar hebben we allemaal aan bijgedragen door al jarenlang niets te doen aan eerlijker regelgeving. De zogenaamde megahokken hebben kunnen ontstaan door de manier zoals de duivensport was - en nog steeds is geregeld. Deze liefhebbers maken gebruik van de mogelijkheden die wij met ons allen hen bieden.

Er zijn ontwikkelingen in de samenleving die een uitdaging zijn voor de duivensport-organisaties, zoals de vergrijzing met gevolgen voor de beschikbaarheid van ervaren vrijwilligers, de geringe jeugdige aanwas van leden, het imago en de acceptatie van sport met dieren en de regulering door de overheid en de EU. Er zijn nog wel wat hobbels te nemen. Maar, ik ben er van overtuigd dat we met elkaar die uitdagingen aan kunnen. Er is mijn inziens voldoende toekomst voor de duivensport.

Jeugdige leden zijn niet meer onze doelgroep. Ik denk dat wij ons beter kunnen richten op de mensen die na hun werkzame leven weer meer vrije tijd krijgen. Voor deze mensen brengt de duivensport niet zelden langdurige vriendschappen met zich mee. Ex-collega’s verdwijnen vaak uit beeld en via de duivensport doet menigeen weer vele nieuwe sociale contacten op.

We kunnen niet allemaal kampioen zijn. Maar bij de meeste duivensporters staat vooral het plezier voorop, gekoppeld aan liefde voor de postduif. Anders zou men echt niet de dagelijks terugkerende intensieve zorg voor onze bijzondere vogels op zich kunnen en willen nemen. 


 

1 oktober 2021

Martha van Geel – Nieuw Vossemeer / Grote namen in de duivensport.4

Bij het horen van de naam Martha van Geel zal de gemiddelde (fond)liefhebber direct denken aan legendarische duiven als de Dolle (Marijn van Geel) en het Vlekje (Martha van Geel) of de Super van Geel van de gebroeders Limburg. Drie duiven die wereldberoemd zijn geworden. De eerste twee in eerste instantie als bijzonder goede vlieger, maar later ook als fenomenaal kweker. De laatste werd als jonge duif door de gebroeders Limburg aangeschaft bij Martha en ontpopte zich bij hen als een grandioze kweker, met vele honderden nazaten die heden ten dagen nog steeds kopprijzen vliegen in groot verband.

Martha die dit jaar 80 jaar is geworden, rolde in 1969 in de duivensport toen zij nog in Amersfoort woonde. Gijs Hartog uit Laren, destijds een grote naam in de duivensport, bezorgde de eerste 2 duiven met een smoes voor de kinderen, al voordat er een hok stond. Haar latere echtgenoot Marijn heeft ze door de duiven leren kennen en samen met hem werden mooie successen behaald tot zijn overlijden in 1983. Sindsdien zijn er bijna 40 jaar verstreken en talloze overwinningen en kampioenschappen behaald met het ras van Geel waarvoor door Marijn de basis is gelegd in de jaren zestig en zeventig. Al direct in het jaar na het overlijden van Marijn werden de successen voortgezet met als hoogtepunt de 2e en 4e nationaal Dax en het winnen van de auto met het Vlekje.

Net zoals met de duiven van de vorige drie hoofdpersonen van deze serie columns, zijn ook met de nakomelingen van de van Geel duiven nationaal en internationaal ontelbare successen behaald. Ze zijn nog steeds zeer geliefd. Vooral uit landen waar de vluchten zwaar en moeizaam zijn door de vaak extreme weersomstandigheden is veel vraag naar de Van Geel duiven. In Nederland daarentegen heeft Martha weinig vraag naar duiven, terwijl ook hier naast de nazaten van de eerdergenoemde Super van Geel van de gebroeders Limburg, vele aansprekende overwinningen zijn behaald op onder andere Barcelona. Een vlucht waarop ook Martha zelf vrijwel jaarlijks mooie uitslagen neerzet. En niet alleen op Barcelona maar op alle internationale vluchten is zij met haar partner Heinz Kramer niet weg te denken uit de kop van de uitslagen. Zo won zij in 2019 de prestigieuze PIPA IATP-ranking. Voor dit kampioenschap telt de eerst getekende duif op de zes internationale zware fondvluchten waar liefhebbers uit o.a. België, Nederland, Frankrijk en Duitsland aan deelnemen (Pau, Barcelona, St. Vincent, Marseille, Narbonne en Perpignan). Daarnaast was ze in datzelfde jaar 3e kampioen WESM. En ook in 2020 mochten er meerdere podia beklommen worden, zoals voor het 2e Keizer kampioenschap van de Club der Azen, 1e Bony Barcelona Champion League en 2e Europabeker met de 5 eerst getekenden. Afgelopen jaar werd de reeks successen voortgezet met het 6e kampioenschap Nationale Marathon en de 2e Gouden Barcelona duif over 3 jaar. De duiven die voor deze kampioenschappen zorgen, blijven meestal tot op hoge leeftijd op de vlieghokken totdat ze voor de kweek worden ingezet.

In tegenstelling tot bij vele andere liefhebbers wordt bij Martha en Heinz vrijwel alleen uit de kweekduiven gekweekt en nauwelijks uit de vliegers. Soms aan het eind van het seizoen worden er uit de beste vliegers een paar jongen gekweekt. Ook wordt er niet veel werk van de kweek gemaakt. Heinz heeft de koppelingen meest in zijn hoofd Sommige koppels zitten al 4-5 jaar bij elkaar. Anders dan Marijn vroeger deed wordt er tegenwoordig zelden zeer nauw ingeteeld. Er wordt soms wel ingeteeld om de stam in takt te houden. En daarvan verhuist er dan meestal wel een enkele direct naar het kweekhok. En soms wordt er vers bloed bijgehaald. Hoewel de meeste duiven nog afstammen van de beroemde voorvaderen als de Dolle en het Vlekje vindt Martha het spreken over ras een beetje onzin. Martha; “Er wordt zo vaak gevraagd naar zuivere Aardens. Maar zuivere Aardens bestaan niet meer en als ze wel al generaties lang zuiver zijn gehouden hebben ze geen enkele vliegwaarde meer. Alleen commerciële waarde, maar dat is aan mij niet besteed. Ik wil presterende duiven op mijn hokken en geen stamboomduiven. Voor mij is de verkoop van duiven slechts een manier om de duivensport van te betalen. Daarom is de informatie op onze website naast onze uitslagen de enige reclame die we maken.”

Dat de basis die in de jaren zestig en zeventig door Marijn is gelegd van absoluut topniveau moet zijn geweest, moge duidelijk zijn. Over de herkomst van deze duiven zijn boeken vol geschreven, dus daar ga ik nu dan ook niet op in. Ik vroeg Martha of Marijn bij de opbouw van zijn stam heel bewust te werk is gegaan en kennis had van genetica. “Marijn had beslist veel gevoel voor kweken. Ook had hij regelmatig contact met professor Anker en Gerhard Schlepphorst met wie hij informatie uitwisselde. Maar de Dolle bijvoorbeeld was geen product van een beredeneerde koppeling. De moeder was eigenlijk al verkocht, maar werd nooit betaald en opgehaald, dus werd er een doffer bij gezocht. Puur op gevoel. Inmiddels zijn we tientallen generaties verder en zijn de nazaten over de hele wereld verspreid. Wat is er nog over van de oorspronkelijke stam? Vroeger hield ik nog wel bij wie er met de nazaten van onze duiven goed presteerde, maar tegenwoordig niet meer. Je hoort eigenlijk maar heel weinig terug van de verkochte duiven. Dat vind ik wel jammer, maar dat is nu eenmaal een gegeven.”

Behalve vanwege haar prestaties met de duiven is Martha eveneens wereldwijd bekend vanwege haar jarenlange betrokkenheid bij de FCI. Zo was zij 18 jaar secretaris en daarnaast was zij ook controleur bij de Internationale éénhoksraces (OLR’s). Hiervoor reisde ze naar vrijwel elk land in de wereld waar wedstrijden met duiven plaatsvinden, zoals China, Japan, Thailand, Mexico, verschillende Zuid Amerikaanse landen en vele landen in Europa. In eerste instantie werd ze gevraagd om te tolken bij een cursus voor keurmeesters in Spanje. Maar hierdoor rolde ze van de ene activiteit in de andere. Het aantal internationale contacten nam enorm toe en daarmee ook de buitenlandse activiteiten. Zo was ze een vaste gast op vele Olympiades en ook woonde ze diverse malen de lossingen van Internationaal Barcelona bij. Inmiddels is Martha op een leeftijd gekomen waarop ze het allemaal wat rustiger aan doet. Geen organisatorische activiteiten meer. Met de administratie van de eigen duiven en samen met Heinz de verzorging daarvan, heeft ze haar handen vol.

Tot slot wil Martha nog wel wat kwijt over haar kijk op de hedendaagse duivensport.

“Als je je partner niet mee hebt, zal het erg lastig zo niet onmogelijk worden om jaren lang op topniveau mee te draaien.”

“Eigen goed presterende duiven op de kweek zetten, loont doorgaans beter dan een kweekhok vol met aangeschafte duiven.”

“Een goede opleiding als jonge duif is van zeer groot belang en zeker voor een marathonduif.”

“Ochtendlossing is een totaal andere discipline dan de middaglossing. Maar natuurlijk zijn er duiven die op beide disciplines kunnen uitblinken.”

“Met het streven naar eerlijk(er) spel is uiteraard niets mis, maar sommige maatregelen die hiertoe zouden moeten leiden, werken juist oneerlijker spel in de hand.”


1 september 2021

Ben Geerink – Langeveen / Toekomst van de duivensport.10 (slot)

In deze laatste column over de toekomst van de duivensport bevroeg ik Ben Geerink de huidige voorzitter van de NPO over zijn visie op de toekomst van de duivensport. Zoals ik in de column met Rieks Lonsain al schreef, is er geen enkele serie columns waarop ik zoveel reacties heb ontvangen als de toekomst van de duivensport. Daar er veel overlap in de reacties, zat heb ik deze reacties zoveel mogelijk samengevat in een aantal vragen die ik Ben heb voorgelegd.

Ben is 65 jaar en heeft vanaf 1974 duiven, met een onderbreking van een paar jaar. Hij is destijds samen met zijn broer met postduiven begonnen nadat zij er een paar hadden gekregen van hun toenmalige buurjongen Gerard van de Aast die sinds 2020 net als Ben deel uitmaakt van het huidige NPO bestuur. In die beginjaren was Ben erg prestatiegericht, samen met zijn broer Henk en hij denkt met genoegen terug aan mooie prestaties als een 1e van de afdeling op Orleans. Gaandeweg bleek echter dat hij zijn ambities moest bijstellen vanwege werk en een gezin. En toen zijn vrouw allergisch bleek voor duiven heeft hij ze uiteindelijk zelfs weg gedaan. Maar dat was niet voor lange duur. Toen er weer duiven kwamen was dat eerst vooral voor de ontspanning. Maar de laatste jaren is het vizier op de overnachting gericht en worden op die discipline ook leuke successen behaald waarmee ook de prestatiedrang weer wat terugkomt.

Op mijn vraag hoe Ben de toekomst voor de duivensport ziet, geeft hij aan dat hij hierover gematigd positief is. “Er moet wel één en ander veranderen. De maatschappij verandert immers in een snel tempo. De duivensport zal zich daaraan moeten aanpassen. We hebben geen keuze, al denken sommigen dat wel en is er nog steeds weinig bereidheid om te veranderen. Er is voor de Duivensportbond nog heel veel te doen. Bijvoorbeeld op het gebied van zelfregulering, registratie (er wordt op dit moment gebouwd aan een cloud), gezondheid, vervoer, lossingen enz. Er zijn vele gevaren die het voortbestaan van de duivensport bedreigen, maar het grootste gevaar komt van de overheid. Wet- en regelgeving kunnen in één klap zorgen dat het gedaan is met de duivensport. Dat hebben we recent gezien met de nieuwe transportwetgeving die op 21 april 2021 van kracht is geworden. Als het niet was gelukt om voor de duivensport een uitzondering te maken, dan was het nu al einde duivensport geweest. Maar we zullen hier wel op in moeten spelen. We moeten als duivensport onze zaakjes goed voor elkaar hebben. Er is nog te veel amateurisme en dat is logisch in een sport die voornamelijk draait op vrijwilligers, maar op bepaalde gebieden wordt dat in de huidige tijd niet meer gepikt. Om de sport naar een hoger niveau te tillen zal er ook wat aan kadervorming gedaan moeten worden. Maar denk ook vooral aan de controle op de gezondheid van de duiven, zowel bij de liefhebbers op het hok als onderweg in de containers. Aan de gezondheid van de duiven zullen in de toekomst meer eisen worden gesteld en daar moeten we op anticiperen. Proactief en van binnenuit, door de liefhebbers zelf, de verenigingen, de afdelingen en de Duivensportbond. Iedereen heeft daarin een verantwoordelijkheid. Als wij aan de overheid kunnen laten zien dat we alleen gezonde duiven op reis sturen aan de hand van een goede controle en registratie, dan geven we een signaal af dat wij onze zaakjes goed voor elkaar hebben. Wij hebben al de instituten WOWD en IWB. Deze zijn volkomen onafhankelijk en geven adviezen aan de duivensport. Anno 2021 is het noodzakelijk om open en transparant richting overheid te zijn en dat moet ook kunnen als we gebruik maken van de moderne technieken.

Ik confronteerde Ben vervolgens met een aantal uitspraken uit mails die mij werden gestuurd naar aanleiding van de eerdere columns over de toekomst van de duivensport. In deze mails werd vooral de nadruk gelegd op hoe de buitenwereld naar onze sport kijkt. Deze kijk is niet altijd even positief. Daar moet dringend wat aan worden gedaan want dit gaat zich tegen ons keren, schrijven deze liefhebbers. De duivenliefhebbers zelf maar ook de duivensportbond en de afdelingen moeten meer doen aan positieve beeldvorming over onze sport. Zolang er door ons respectvol met de dieren wordt omgegaan, dan kan er weinig tegen ons worden ingebracht. Helaas hebben we binnen onze gelederen ook mensen die het met dat respect niet zo nauw nemen en die dat bovendien ook niet onder stoelen of banken steken. Die dragen niet bij aan onze sport en daar zou van binnenuit tegen moeten worden opgetreden. Een aantal van de mailers vind dat de Duivensportbond hier in gebreke blijft. Ben herkent deze kritiek; “We kunnen met elkaar nog zoveel regels en afspraken maken, maar er verandert niets als men zich niet aan die afspraken houdt. En daar zit de kern van het probleem. We hebben als Duivensportbond geen goed sanctiebeleid en kunnen geen disciplinaire maatregelen opleggen aan leden die de regels overtreden of zich niet aan gemaakte afspraken houden. Sancties zijn noodzakelijk om als organisatie serieus genomen te worden door de politiek en dierenbeschermingsorganisaties. Tegen mensen die de duivensport een slechte dienst bewijzen kunnen we nauwelijks optreden en dat geeft mij soms wel een machteloos gevoel. De huidige NPO statuten en reglementen voorzien maar mondjesmaat in sancties en dat zorgt ervoor dat misstanden zo moeilijk kunnen worden aangepakt. Mijn inziens zal het huidige bestuur veel werk moeten maken van het sanctiebeleid. Daar vraagt de huidige tijd helaas om.”

De uitspraak van Rieks Lonsain in de vorige column over dit onderwerp, dat de duivensport geen lang leven meer beschoren is, leidde ook tot veel reacties. Velen deelden zijn mening, maar er zijn ook liefhebbers die denken dat het niet zo’n vaart zal lopen. Hoe kijkt Ben hier tegenaan vroeg ik hem. “Ik denk dat Rieks geen gelijk krijgt. Het voortbestaan van de duivensport zit mijn inziens niet in de aantallen. Natuurlijk stoppen er tussen nu en 15 jaar een groot aantal liefhebbers vanwege hun leeftijd. Maar met 5000 actieve duivenliefhebbers, die met elkaar hun schouders er onder steken om de duivensport te behouden zal de duivensport zeker nog lang kunnen bestaan. Maar dan zullen er wel een aantal zaken anders moeten. Zo zal er werk moeten worden gemaakt van eerlijk spel. De grote verschillen tussen de proffs, semi-proffs en amateurs schrikken nieuwe potentiële duivensporters af. En zaken als het niet gelijktijdig lossen omdat dit handmatig gebeurt zoals op vele filmpjes te zien is, is ook niet meer te verkopen. Maar ik ben ervan overtuigd dat met de huidige technische ontwikkelingen er al op korte termijn veel verbeteringen zullen plaatsvinden. Ik ben ook blij met de sectie Sportbeleving en hoop dat er zich een aantal enthousiaste creatieve mensen met goede ideeën zullen melden voor deze sectie. In het najaar gaan wij middels brainstormsessie aan de slag over de indeling van de vlieggebieden. Ook daar zit een belangrijke sleutel richting eerlijk spel. Het kan veel beter maar het blijft wel dealen met onder andere de wind.”

Tot slot nog een vijftal vragen.

De mensen die geen toekomst voor de duivensport zien, noemden zaken als het verbod op duiven houden in veel nieuwbouwwijken en de 24 uurseconomie waardoor de regelmaat van het laten trainen van de duiven voor vele werkenden niet mogelijk is. Hebben deze aspecten van het ledenverlies en het tekort aan nieuwe aanwas ook aandacht van de Duivensportbond?

Ja zeker. Ook hier moeten we de komende jaren als Duivensportbond aandacht aan besteden. Mijn hoop en verwachting is dat de sectie sportbeleving ook deze aspecten gaat mee nemen in hun voorstellen.

De roofvogelproblematiek wordt door velen ook genoemd in kritiek naar de bond t.a.v. problemen die de bond laat liggen.

Daar zijn wij al mee bezig. Er is een werkgroep ingericht die de problematiek in kaart brengt en daarnaast werkt aan oplossingen om de overlast van roofvogels terug te brengen. Binnenkort verschijnt hun eerste rapportage. Ik vind het met het oog op de roofvogelproblematiek opmerkelijk dat er zoveel weerstand is tegen het later beginnen met de wedvluchten. Dit zal beslist het aantal slachtoffers van de roofvogels verminderen. Een ieder die met deze problematiek te maken heeft (en dat zijn steeds meer liefhebbers) zou dit initiatief dan toch moeten toejuichen? Overigens kun je de roofvogelproblematiek niet los zien van de toegenomen invloed van vogel- en dierenbeschermingsorganisaties. We moeten als Duivensportbond dan ook in gesprek blijven met deze organisaties als we willen dat dit probleem aangepakt gaat worden.

Er zijn de afgelopen jaren een aantal liefhebbers gestopt omdat zij na het opheffen van hun vereniging geen nieuwe club meer konden vinden. In een tijd waarin er nogal wat verenigingen op omvallen staan, vind ik dat op z’n minst vrij opmerkelijk. Hoe kijk jij daar tegenaan?

Dat zou eigenlijk niet moeten kunnen. Ik vind dat de afdelingen hierin ook een grote rol moeten pakken om samen met de betreffende verenigingen een oplossing te vinden. Daarnaast zouden afdelingen zich flexibel moeten opstellen en veel meer samen moeten werken. De grenzen van de afdeling lijken soms wel in beton gegoten. Ik mis nogal eens de bereidheid om concessies te willen doen, zowel bij de individuele liefhebbers als bij de clubs en de afdelingen. Overigens wil ik wel opmerken dat er ook al afdelingen zijn die wel samenwerken en elkaar opzoeken. Dat werkt ook het beste. Beter van onderop dan van boven opgelegd. Alles heeft te maken met draagvlak.

Duivensport is niet goedkoop. Dit is voor een aantal ex-liefhebbers een reden geweest om met de duivensport te stoppen. Hoe kijk jij hier tegenaan? Is duivensport in de toekomst alleen nog maar weggelegd voor de mensen met een goed betaalde baan?

Ik denk dat we als duivensportbond zeker de kosten goed in het oog moeten houden. Het mag niet zo zijn dat de duivensport voor de gemiddelde mens onbereikbaar/onbetaalbaar wordt. Maar ik denk ook dat veel liefhebbers de oplossing van hun minder presteren ten onrechte zoeken in het aantal duiven dat ze houden. Meer duiven houden kost uiteraard meer geld. Wanneer er bijvoorbeeld in teams gespeeld zou worden van 20 duiven, dus dat grotere liefhebbers met meerdere teams deelnemen en de kleinere liefhebber dus niet speelt tegen 1 liefhebber die 200 duiven mee heeft, maar tegen 10 teams van die liefhebber, wordt de noodzaak van veel duiven inkorven wellicht minder gevoeld. Ik heb al aangegeven dat er een uitdaging voor de toekomst ligt om het spel eerlijker te maken.

Hoe kijk jij aan tegen vernieuwingen in de duivensport? Hier lijkt veel weerstand tegen te bestaan.

Ik ben inderdaad wel erg geschrokken van de hoeveelheid reacties en ook van het soort reacties die er op ieder voorstel komen, waarmee de duivensport zich verder kan ontwikkelen. En dat betreft alle gebieden. Zoals voorstellen voor eerlijk(er) spel, fraudebestrijding, beter vervoer, meer gebruik van automatisering, begrenzing aan massaal opleren, enz.  De felheid waarmee de eigen standpunten worden verdedigd en volledig voorbij gegaan wordt aan het algemeen belang, stemt mij soms wat somber. Iedere duivenliefhebber is toch gebaat bij het behoud van de duivensport? Dat is in ieder geval wel waar ik me voor inzet als voorzitter van de Duivensportbond.

Tot zover Ben Geerink in deze laatste column over de toekomst van de duivensport. 

 


1 Augustus 2021

Hessel de Kleine - Hattem / Verliezen met jonge duiven - 2

Zes jaar geleden schreef ik mijn eerste column over dit zeer beladen onderwerp dat momenteel actueler dan ooit is. In die eerste column liet ik Benno Kastelein aan het woord die onder andere aangaf dat er de laatste 20-30 jaar teveel kladvliegers worden gekweekt. Hierdoor zijn bij veel duiven eigenschappen als zelf oriënteren en doorzetten als ze uit koers zijn geraakt, er uit gefokt. Het is ook mijn mening dat hier één van de oorzaken van de verliezen met jonge duiven in schuilt. Maar natuurlijk is dat zeker niet de enige oorzaak. In de vorige column over dit onderwerp noemde ik ook een aantal andere oorzaken. Met de hoofdpersoon van deze column, Hessel de Kleine uit Hattem die tot de groep gelukkigen behoort die nauwelijks verliezen kent met zijn jonge duiven, nam ik deze oorzaken nog eens door. Ik krijg vaak vragen of ik weet wat de liefhebbers die nauwelijks verliezen hebben, anders doen dan zij. Hierop zal ik samen met Hessel in deze column antwoord op geven. Hessel wil daarbij dat ik wel extra benadruk dat hij niet de wijsheid in pacht heeft en beslist ook niet die indruk wil wekken.

De 54 jarige Hessel heeft vanaf zijn 12e jaar postduiven. Hij kwam met de duivensport in contact via een buurman. Door de jaren heen zijn er diverse mooie resultaten geboekt, maar vooral de afgelopen jaren worden er prachtige uitslagen behaald. En dat laatste is waar het Hessel om gaat, want voor een kampioenschap wordt niet gespeeld. Voor Hessel is de duivensport op de eerste plaats belangrijk als ontspanning naast zijn drukke werkzaamheden als eigenaar van een bedrijf in de reclamebranche. Gelukkig is zijn vrouw ook gecharmeerd van de duiven en als het nodig is springt ze hem met de verzorging bij. Als er dan ook nog goed gepresteerd wordt zoals nu met de jonge duiven genieten ze er beiden van.

In een jaar waarin zelfs de jonge duivenspecialisten en mensen die doorgaans niet veel jongen verliezen ook klappen te verwerken krijgen, krijgt Hessel ze juist bijzonder goed. Inmiddels zijn er drie vluchten geweest en van de 50 jongen waarmee hij begon zijn er nog 47. Van het zelf africhten (14 x) bleven er geen jongen achter. Hoe krijgt hij dat voor elkaar vroeg ik hem. Hessel; “Vorig jaar ging het qua prestaties ook al goed met de jongen maar toen bleven er toch nog wel wat achter. Toen had ik winterjongen die ik direct na het afspenen 4 weken achtereen heb bijgelicht (24 uur per dag). Ze waren prachtig en al vroeg volwassen. Ik heb toen de fout gemaakt om ze pas net voor de start van de vluchten af te richten. Ze braken de tent af. Dat is denk ik de reden dat ik er een aantal verspeelde. Want van een latere ronde die niet werd verduisterd of bijgelicht en alleen op de natour werd gespeeld, raakte ik vrijwel niets kwijt. Dus dit jaar heb ik het anders gedaan. Ik heb de duiven begin januari gekoppeld en heb verduisterd van 1 maart tot 21 juni. Ik licht niet bij. Daarnaast heb ik een nieuw hok gebouwd, deels gebaseerd op een Martin Van Zon hok. Ik denk dat dit hok ook een belangrijke rol speelt. Het is kurkdroog, ik maak het niet schoon en het voelt er behaaglijk. De duiven blijven er gemakkelijk gezond op.”

Een van de oorzaken van de verliezen zijn de roofvogels. Ik ken hokken waar vorig jaar meer dan de helft van de jongen zijn opgepeuzeld of in blinde paniek door een aanval ver van huis zijn geraakt of ergens tegenaan gevlogen. Hessel woont aan de rand van de Veluwe dus ook in een gebied met veel roofvogels. Ik vroeg hem of hij daar veel duiven aan verliest. Hessel; “Dit voorjaar zijn 5 van mijn betere oude duiven gepakt door de roofvogel. Elke keer wanneer de duiven op het wilden landen dook hij er bovenop. Ik kan mijn jongen dus echt niet vroeg in het voorjaar los laten. De eerste zes weken plaats ik ze nu in een grote ren waar vanuit ze alles goed kunnen opnemen. Daarna laat ik ze pas voor de eerste keer los.” Deze methode wordt door veel meer liefhebbers met succes gehanteerd. In een column die ik over de overlast van roofvogels zal schrijven, kom ik hier nog op terug.

Een andere oorzaak is opleren of wedvluchten tijdens ongunstige weersomstandigheden. Zo is opleren met een strakblauwe lucht en oost in de wind niet aan te raden voor onervaren jonge duiven. Dit zou algemeen bekend moeten zijn zou je denken en toch lees en hoor je van diverse liefhebbers dat ze op zulke dagen op pad zijn geweest met de jonge duiven. Terwijl deze liefhebbers met regenachtig weer de duiven soms niet eens los durven te laten, laat staan af te richten. Hoe kijkt Hessel hier tegenaan? “Ik ben dit jaar al in mei gaan opleren. Niet individueel want daar heb ik de tijd helaas niet voor. In totaal ben ik 14 x weg geweest en kwamen alle 50 jongen elke keer terug. Ik begon op 5 km afstand en bracht ze iedere keer iets verder, tot ongeveer 60 km. Ik heb ze in alle richtingen weggebracht en ook in de regen en met donker weer. Ik ben niet zo bang. Maar met onweer in de lucht ga ik niet op pad.”

Het soort duif speelt ook beslist een rol m.b.t. het verspelen van jonge duiven. Overnachtspelers hebben gemiddeld minder verliezen. Een deel van de verklaring is dat deze generaties lang geselecteerd zijn op prestaties waarbij ze grote afstanden in hun eentje hebben afgelegd. En dat deze duiven doorgaans over veel doorzettingsvermogen beschikken, gekoppeld aan een groot uithoudingsvermogen. Het is op basis van deze logica dus verklaarbaar dat een liefhebber als de voormalige marathonspeler S.L. met vrijwel alleen Jellema x Beerda duiven, nauwelijks verliezen kent en zelfs grote prijspercentages draait, met zijn niet verduisterde jongen van april en zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Maar dit type duiven zit niet of nauwelijks op de hokken van Hessel. Hessel gevraagd naar wat voor duiven op zijn hokken zitten; “De meeste van de duiven die nu goed presteren heb ik nog niet zo lang. En er zullen vast duivenfamilies zijn die die sterker zijn en over een beter oriëntatie vermogen beschikken dan mijn duiven. Veel duiven komen van mijn goede duivenvriend Roel Veldman aan wie ik veel te danken heb. Van Roel heb ik een aantal duiven rechtstreeks uit het kweekcentrum dat hij samen met Bert Bloemert heeft (Future Pigeons). Daarnaast heb ik voornamelijk duiven van de Belgische topcombinatie Stickers-Donckers en van Henri van de Linde uit St. Jansklooster. Deze lijnen worden onderling gekruist. Verder probeer ik ook wel eens wat uit natuurlijk. Maar de basis moet goed zijn. Ik selecteer zeer streng op gezondheid en medicijnen worden hier heel weinig gebruikt. Dus duiven die niet passen bij mijn regime verdwijnen snel. Ik selecteer eigenlijk het hele jaar door op gezondheid. Ik heb veel duiven en wat mij niet aanstaat gaat er snel uit. Ik kijk ook nooit waar ze uitkomen tijdens het seizoen. Want dan zou ik in de verleiding kunnen komen om jongen te laten zitten op hun afstamming en dat wil ik beslist niet. Ik kijk ook niet naar wat ze gekost hebben. Wat niet voldoet gaat er gewoon uit.”

De gezondheid van de jonge duiven is mijn inziens de alles bepalende factor en wordt nog veel te vaak onderschat. Duiven die niet 100 % gezond zijn horen niet in de mand. Dat weet iedereen en toch gebeurt het, met alle gevolgen van dien. Het zijn met name het Ornithosecomplex (luchtwegeninfecties en kopproblemen) en Coli/Adeno/Circo/Rota infecties (de zogenaamde jonge duivenziekte) die voor de problemen zorgen. Veel problemen kunnen worden voorkomen door de infectiedruk te verminderen (door bijvoorbeeld aanpassingen aan het hok te doen) en de natuurlijke afweer van de duiven te ondersteunen (onder andere met de juiste voeding en supplementen). Bijna iedereen krijgt met deze problemen te maken en ik was dan ook wel heel benieuwd of dit bij Hessel ook het probleem was. Hessel; “Ik heb nog nooit coli gehad onder de duiven. Althans voor zover ik weet. Ik selecteer immers heel streng op de gezondheid dus een jonge duif die er niet fris bij zit wordt direct verwijderd. Mogelijk heb ik zo een coli uitbraak wel eens in de kiem gesmoord. En het niet schoonmaken van het jonge duivenhok helpt ze wellicht bij het opbouwen van hun weerstand. Ik heb niet de wijsheid in pacht en laat me hierbij adviseren door goede spelers als Bert Bloemert en Roel Veldman. Ook ga ik regelmatig naar dierenarts Robert Kasperink om de duiven op hun gezondheid te controleren. Tegen het ornithosecomplex doe ik alleen iets als Robert dit constateert. Dan maak ik uiteraard wel gebruik van medicatie, maar anders nooit.”

Tot zover Hessel de Kleine over zijn aanpak met de jonge duiven. Dat er meerdere wegen naar Rome leiden is duidelijk en dat er veel grotere kampioenen met de jonge duiven zijn is ook waar. Maar mijn intentie was iemand voor het voetlicht te brengen die weinig tot geen verliezen kent met zijn jonge duiven. Wellicht pikken liefhebbers die minder gelukkig zijn hier wat van zijn methode op.


 1 juli 2021

Herman Messink – Gaanderen / Duiven aanschaffen.6

Toevallig komt de hoofdpersoon van deze column net als de vorige liefhebber(s) die ik over dit onderwerp aan het woord liet (Hans Radstaak en Peter Colenbrander), eveneens uit Gaanderen. Het betreft de 59 jarige Herman Messink. Herman zijn ouders hadden al duiven en hij weet dan ook niet anders dan dat er altijd postduiven in zijn leven zijn geweest. Zijn mooiste herinnering bewaart Herman aan een zeer vroege duif op Bordeaux die hij ’s avonds om 21.13 uur draaide op een afstand van 940 km. Ook de superuitslag van Brive met 22 mee en ’s morgens om 7.13 uur al 11 in de klok zal hij nooit vergeten. Hoewel Herman al een heel tijdje geen marathon meer speelt en zich tot doel heeft gesteld om mooie uitslagen te maken op vitesse en midfond, blijft er nog altijd een beetje heimwee naar het kippenvelgevoel dat een vroege duif op de overnachting hem bezorgde. Herman; “Er is niets mooier dan een vroege duif te draaien van een overnachtvlucht. Dat gevoel is zo apart.”

De reden waarom ik Herman een bezoek bracht is zijn grote verzameling verkooplijsten en stamkaarten. Herman heeft in de afgelopen 40 jaar veelal samen met de helaas overleden Jan Everts, misschien wel rond de duizend verkopingen bezocht en evenzoveel hokbezoeken afgelegd. Van de grote namen uit het verleden als Gebroeders Janssen, Desmet Mathijs, Tournier, Mevr. Sprenkels, Jan Moerman, A. v.d. Wegen, Maurice Delbar en Krouwel-Polman tot recentere toppers die nu nog steeds regelmatig hun visitekaartje afgeven als de gebroeders Limburg, Wim Muller, Jan Theelen, Nico Volkens, Karel Meulemans en Peter v.d. Eijnden. Maar ook hedendaagse namen met grote klank als Danny van Dijck, Marcel Wouters en Karel Ceusters konden op bezoek van Herman rekenen. Van de meeste van deze hokken kwamen ook duiven naar Jan Everts en veelal ook naar Herman. Omdat in die beginjaren dat zij duiven gingen kopen het ook al geregeld gebeurde dat afstammingen op stamkaarten niet correct waren, ging Herman alles bewaren en uitpluizen. Tot op de dag van vandaag doet hij dat nog steeds; “Het is een soort ziekte. Als je daar eenmaal mee begonnen bent, kom je er nooit meer vanaf”. In drie verschillende kamers heeft Herman computers staan met op de harde schijf ontelbare bestanden met duiveninformatie en boekenplanken vol met verkooplijsten. Maar dat is nog niet alles want her en der staan ook diverse dozen opgestapeld die vol met verkooplijsten en stamkaarten zitten. Een ware schatkamer voor mensen die diep in de geschiedenis van bepaalde duiven willen duiken.

Als je het aantal uren optelt dat Herman gestopt heeft in het uitzoeken van afstammingen, kom je al gauw op enkele jaren. En nog steeds brengt hij dagelijks heel wat uurtjes achter de pc door. Herman; “Er wordt in advertenties en op stambomen ontzettend veel geschreven dat onjuist is of enorm opgeblazen. Papier is geduldig, daar kun je alles op schrijven. Maar wanneer je zoals ik alles controleert, ook aan de hand van uitslagen, kom je hele vreemde dingen tegen. Ik kijk bijvoorbeeld ook hoe duiven gekoppeld zijn geweest. Zijn ze vaak over gekoppeld bijvoorbeeld. En welke duiven zie je veel in de stambomen terug komen? En wordt er alleen gekweekt met prestatieduiven, of gaat elke broer en zus van een topduif meteen naar het kweekhok? Wordt er veel ingeteeld en tot hoever gaat men dan?” Herman gevraagd naar wat hij dan zoal tegenkomt aan zaken die niet kloppen; “Dat is best heel veel. Ik zal een paar voorbeelden noemen. Zo ken ik van een Barcelonawinnaar verschillende stamkaarten. Eentje waarop de moeder niet verwant is aan de vader en op de andere stamkaart zijn de ouders van de moeder ook de grootouders van de vader. Ook ken ik van een duivin afkomstig van de bekende Gebroeders Janssen, maar liefst drie verschillende stamkaarten met telkens andere ouders.”

Herman geeft aan dat hij naast het bestuderen van stamkaarten en verkooplijsten, ook heel veel tijd stopt in het bestuderen van uitslagen. Mijn inziens kunnen sommige liefhebbers hier ook beter de tijd aan besteden die ze nu steken in het volgen van de vele veilingen. Maar het bestuderen van uitslagen is niet voor iedereen even gemakkelijk, krijg ik vaak te horen. Het op de juiste waarde kunnen schatten van een uitslag is voor meer dan 50 % van de gemiddelde liefhebbers, een soort van hogere wiskunde. Vandaar dat ik Herman vroeg waar hij dan vooral naar kijkt op de uitslagen. Herman; “Ik kijk allereerst naar het soort vlucht. Hoe lang stond het concours open? Onder welke omstandigheden zijn de prijzen behaald? Hoe waren de weersomstandigheden? En vooral ook wat voor wind stond er en was deze wind gunstig of juist ongunstig voor de betreffende liefhebber, ten opzichte van zijn ligging in het spelverband waar de prijzen werden behaald? Ook let ik op het totale aantal duiven in concours ten opzichte van het aantal duiven dat de desbetreffende liefhebber in heeft gekorfd.”

En zoals gezegd blijft het bij Herman niet alleen bij een studie maken van stambomen en uitslagen, maar werden en worden er ook vele hokbezoeken afgelegd in Nederland en België. Ik was wel benieuwd wat voor Herman de doorslag gaf voor een hokbezoek en eventueel de aanschaf van duiven bij de desbetreffende liefhebber. “Op de eerste plaats vind ik het belangrijk dat de desbetreffende liefhebber als eerlijk bekend staat. Voor mij is dat bijna nog belangrijker dan zijn prestaties. We hebben in het verleden iets te vaak onze neus gestoten omdat we te goed van vertrouwen waren. Zo kochten we ooit voor veel geld een koppel jongen, bij een liefhebber die niet meer onder ons is, uit één van zijn toppers. Bij een volgend bezoek een jaar later, bleek dat die jongen niet uit die bewuste topper kwamen. Over de doden niets dan goeds, maar zo kan ik helaas nog wel even door gaan. Op de tweede plaats moet het om liefhebbers gaan die over meerdere jaren goede uitslagen maken en geen eendagsvliegen. Op de derde plaats vind ik het ook belangrijk dat ook andere liefhebbers met duiven van dat hok goed slagen. En op de vierde plaats kies ik het liefst voor een liefhebber met een eigen stammetje. Duiven van een hok waar aan familieteelt wordt gedaan zijn doorgaans goed kruisingsmateriaal. Maar ook al ga je op deze manier te werk is dat nog geen garantie voor succes. De duiven moeten ook bij jou en je verzorging passen. Zo kochten wij ooit meerdere Zwarte Moordenaars van Braakhuis en nazaten van de Lamme bij van der Wegen en toch konden we er nooit een kind van op het hok houden. Ver voor de vluchten begonnen waren ze al weg. Terwijl anderen wel met dezelfde duiven slaagden.”

In de huidige tijd worden veel duiven via veilingen op internet gekocht en neemt het aantal duiven dat bij liefhebbers aan huis worden gekocht af. Ook verkopen steeds meer liefhebbers alleen nog maar via een veilingsite. Toch zijn mijn inziens de voordelen van het kopen bij een liefhebber aan huis te verkiezen boven het gemak van achter je pc een veelal impulsaankoop te doen. Herman is het met me eens; “Op veilingen worden de prijzen dikwijls veel te veel opgedreven. Rechtstreeks bij de liefhebber ben je vaak goedkoper en beter uit. Zelf heb ik destijds zeer veel succes gehad met duiven van de combinatie Krouwel/Polman. En ook was ik zeer goed geslaagd met jongen uit het superkoppel van de combinatie Beelen uit Hierden en jongen van de Boudewijn van Willy Looymans alsook met duiven uit de Rik van Rik Stevens via Rob Hoekstra. Van recente aanwinsten van Patrick Driessen (Turnhout) en Eddy Den Haese (Balegem) heb ik inmiddels ook al veel plezier gehad. Genoemde liefhebbers hadden het beste met me voor en waren zelf ook blij dat ik slaagde met hun duiven. Ze waren me gegund en ik denk dat het daar vooral om draait bij het aanschaffen van duiven.”

Tot zover Herman Messink over duiven aanschaffen. Tot slot wil hij nog kwijt dat hij sinds hij samen speelt met zijn vriendin Joke Massen het plezier in de duivensport weer heeft teruggekregen, dat hij een beetje kwijt was geraakt nadat zijn vriend Jan Everts was overleden, de man met wie hij jarenlang stad en land afreisde op zoek naar goede duiven. Zonder Joke was hij misschien wel gestopt met de actieve duivensport.


01 Juni 2021

 Erik Bos – Grijpskerk / kweken.8

Voor de inmiddels 8e column/minireportage over het onderwerp kweken heb ik dit keer weer een liefhebber uit het hoge noorden opgezocht met wie ik een boompje over deze boeiende materie heb opgezet. En net als Jan Broersma de vorige hoofdpersoon, is ook de 58 jarige Erik Bos uit Grijpskerk een liefhebber van de marathons. Er zijn overigens nog een aantal overeenkomsten tussen beide liefhebbers, zoals opmerkzame lezers zal opvallen.

Vanaf zijn zesde jaar heeft Erik al duiven. “Mijn eerste kennismaking met duiven was in Grijpskerk, mijn  buurman dr. Jansma had duiven. Als ik uit school kwam stond ik eerst een half uur met mijn neus tegen het gaas gedrukt naar zijn duiven te kijken, voordat ik naar huis ging. Ik was dus al jong besmet met het duivenmelkersvirus! Daarna ben ik nooit meer zonder duiven geweest. Overal waar ik gewoond heb, waren duiven in mijn leven. Tijdens mijn middelbare schooltijd heb ik stage gelopen bij Eijerkamp op de Ponderosa, aan de hand van de helaas veel te vroeg overleden Frank Dokman. Daarna heb ik nog een paar maanden vakantiewerk gedaan op Greenfield Stud. Het jaar erna heb ik gewerkt op de Greenfield Stud. Ik zou er de kweekduiven gaan doen, maar ik ben voortijdig gestopt omdat ik merkte dat ik mijn hobby kwijtraakte door alleen maar met duiven bezig te zijn. Er is meer in het leven! Dat is ook de reden waarom ik me op de marathon ben gaan toeleggen. Mijn leefstijl (geen enkele regelmaat) past hier ook het beste bij.

Uit het bovenstaande en wanneer je net als ik Erik een beetje gevolgd hebt via zijn website Erikbos.jouwweb.nl, zou je de conclusie kunnen trekken dat Erik zijn interesse vooral ligt bij het kweken van postduiven en dat deelname aan wedvluchten bij hem op het tweede plan komt. Erik; “Dat is juist. Het kweken is mijn eigenlijke hobby. Ik doe aan de vluchten mee om de resultaten van de kweek te testen. Ik kan dus net zo genieten als iemand met een duif van mij goed speelt als wanneer ik zelf een vroege pak. In mijn hoofd ben ik altijd met de kweek bezig. Van elke duif op mijn hok ken ik zijn/haar eigenschappen en elke vlucht geeft nieuwe info die ik weer gebruik. En dan ontstaan er soms van die koppels waarvan je van tevoren al weet dat er goede uit gaan rollen.”

De uitspraak van Erik dat hij in zijn hoofd altijd met de kweek bezig is, zal velen vreemd in de oren klinken. Het “spelletje” zelf is immers wat de gemiddelde duivenliefhebber bezig houdt. Een van de consequenties van op deze manier met de duivensport bezig zijn is mijn inziens dat de vliegprestaties hier altijd onder zullen lijden. Je kunt je aandacht immers maar focussen op één ding tegelijk. Dat anderen beter spelen dan Erik zelf met de door hem gekweekte duiven is voor mij dan ook vanzelfsprekend. Hoe kijkt hij daar zelf tegenaan? Erik; “Het klopt inderdaad dat anderen met mijn duiven veel beter spelen dan ik. Zo waren bijvoorbeeld in 2013 bij de eerste 15 asduiven in het NIC Zwaagwesteinde er 5 door mij gekweekt. Hierbij was geen enkele door mijzelf gespeelde duif. Maar zoals gezegd geniet ik ook enorm van de prestaties van mijn duiven bij anderen. Zo won onder andere Foeke Troelstra een 8e Nat. Bergerac, de 1e en 8e asduif sector 4 (samenkweek), Ruurd de Zwart een 6e Nat. Ruffec, Berend Zijlstra een 24e  in de Noordelijke Unie op Bergerac en behaalden André van der Heide, Johan Dijkstra, Ruurd Visser en Luut Folkertsma ook mooie prestaties met hier gehaalde duiven. Ook Louwe Fokkinga zijn Bonefatius werd hier gekweekt en was de beste jaarling van een zeer zware Orange 2013 en is nu vader van mijn beste Barcelonaduif (8e NPO).”

Ik vroeg Erik naar zijn beste prestaties op de vluchten en wat hij zelf op dat gebied nog wel eens zou willen bereiken. Het antwoord was verrassend; “Mijn beste prestaties behaalde ik in 2009. Dat is ook het enige jaar dat ik een heel seizoen met duiven heb gespeeld. In dat jaar werd ik 2e generaal kampioen tegen 45 inkorvende liefhebbers en mijn duif Tjallingi werd 2e duifkampioen met een verschil van 0,2 punten op de 1e. Voor een kampioenschap spelen ligt mij niet. Voor wat betreft het zelf spelen met duiven heb ik nog maar één doel en dat is een super uitslag op Barcelona te maken. Ik heb op Barcelona een afstand van 1387 Km en de meeste duivenliefhebbers zullen zeggen dat het niet realistisch is om je op deze afstand op zo’n vlucht te specialiseren. Of dat zo is zal de tijd uitwijzen. Omdat ik niet alle marathon vluchten wil spelen, heb ik besloten om me te gaan specialiseren op de mooiste vlucht. Dat is voor mij Barcelona. Dit is toch de vlucht der vluchten, een vlucht met groot internationaal aanzien. Op de andere vluchten gaan ze mee om ervaring op te doen met als einddoel Barcelona. Ik ben me er terdege van bewust dat maar een heel klein percentage postduiven in staat is om een dergelijke afstand succesvol te overbruggen. Echter, sinds ik me op de marathon heb toegelegd, ben ik al op zoek naar de ideale Barcelonaduif. Ik heb zeer veel goede Barcelonaduiven in de handen gehad en deze bestudeerd. Mijn leermeester Jan Bronswijk heeft me gewezen waar op te letten en de duivenboeken van Piet de Weerd en Steven van Breemen hebben me ook een eind op weg geholpen. Met Steven heb ik overigens ook regelmatig contact en wissel ik ervaringen uit. Ik heb nu twee keer meegedaan op Barcelona en dat waren zware edities. Als ik dan zie hoe ik ze thuis kreeg op 1387 km, constateer ik dat ik met het materiaal dat ik nu bezit al een heel eind op weg ben om goede Barcelonaduiven voor mijn afstand te kweken. Zo had ik afgelopen jaar (2020) 8 duiven mee naar Barcelona, waarvan er 6 thuis kwamen. Van deze 6 voeren 5 het bloed van Tjallingi, een doffer die in zijn leven maar 10 vluchten heeft gehad, waaronder 5 x op de Marathon. Op deze vluchten vloog hij alle 5 x 1:10 prijs. Daarna is hij op de kweek gezet. Ook voeren alle 5 die Barcelonaduiven het bloed van Kadootje, de duivin die ik van Jelle kreeg omdat de afstamming niet bekend was. Afgelopen zaterdag op Limoges waren mijn eerste 6 duiven ook allemaal nazaten van Kadootje. Ze hadden allemaal ruim 1 op 10 prijs.”

Net als Jan Broersma geeft ook Erik aan dat de weg naar succes begint met beredeneerd koppels samen te stellen. “Op het kweekhok begint alles. Als het daar mis gaat wordt het verder ook niks. Een goede duif moet bepaalde eigenschappen bezitten om te kunnen uitblinken, als ze deze hebben moet je ze vasthouden met gerichte kweek. Ontbreekt er een stukje van de puzzel dan moet je die in de kweek proberen toe te voegen.” Uit het voorgaande blijkt dat Erik heel gericht bezig is om een eigen stam op te bouwen. Hier is hij al enige tijd mee bezig, maar nadat Foeke Troelstra met de duivensport stopte en Erik de gelegenheid kreeg een paar van zijn beste duiven over te nemen, heeft hij er nog een schepje bovenop gedaan. Ook het via de mail sparren met Gert-Jan van Houten (Tsjechië) heeft voor een extra stukje motivatie gezorgd. Zijn basis is gelegd bij duiven van Jelle Jellema. Zowel rechtstreeks als via Foeke Troelstra. De duiven van Jelle zijn de laatste jaren zeer in trek en voor de gewone liefhebber bijna niet betaalbaar meer. Maar Erik was er al vroeg achter dat hij bij Jelle moest zijn. Erik; “De prestaties van Jelle vallen al op sinds begin 2000 en omdat hij weinig geneesmiddelen gebruikt moest het genenpakket van de Jellema’s wel erg sterk zijn. Nadat ik er met Jan Bronswijk was wezen kijken volgden al snel de eerste aankopen. En recent zijn daar de Jellema’s van Foeke Troelstra bijgekomen. Zijn stamdoffer Allard (zoon Hellas x Iris van Jelle Jellema) was een zeer speciale duif. Het is een schalie. Deze kleur kweekte Jelle met zijn vader in zijn beginperiode regelmatig, maar over de afgelopen 30 jaar is dit de enige schalie die hij gekweekt had. Zijn bloed ben ik nu aan het vastleggen omdat ik dit denk nodig te hebben voor de ideale Barcelonaduif op deze afstand.” Erik zijn stam bestaat inmiddels voor 75 % uit Jellema’s aangevuld met nazaten van de Zwarte Torfs (2e nat. St. Vincent via Eijerkamp), Dome Barberio (ingeteeld naar Gouden Stamkoppel) en combinatie Lupino (ingeteeld naar Ouwe Kuiper).

Een gesprek met Erik over duiven kweken is voor iemand die net als ik gerichte kweek beschouwt als het startpunt voor blijvend succes, een feest van herkenning. Dat Erik regelmatig met Steven van Breemen ervaringen uitwisselt en dat er richting Hilversum ook duiven van Erik zijn gegaan, verbaast mij dan ook niets. Steven heeft in 1986 samen met professor Anker het boek “Kunst van het kweken” geschreven. Dit boek zou mijn inziens bij iedere duivenliefhebber die streeft naar langdurig succes, in de kast moeten staan. De inzichten die Erik heeft verkregen zijn grotendeels ontleend aan dit boek en in de praktijk getoetst. Ook heeft Erik één en ander opgestoken uit de boeken van Piet de Weerd. 

Tot slot een aantal vragen en antwoorden.

Waar let jij op als je koppels samen stelt v.w.b. de uiterlijke kenmerken?

Het type (lichaamsbouw), de ogen (sterke kleuren en goed doorbloed) en de spieren (lengte en soepelheid). De spieren dienen enerzijds als brandstofopslag maar ook moeten ze voldoende kunnen ontspannen tussen de verschillende vleugelslagen om uren in de lucht te kunnen blijven. Op mijn hok is geen plaats voor duiven zonder goede spieren! Andere zaken waar ik op let zijn de pluim en vleugels. Op kwekers moet je streng selecteren  en daar mag geen ruimte voor vraagtekens zijn. Naast uiterlijke kenmerken hecht ik ook veel waarde aan karaktereigenschappen als doorzettingsvermogen en mordant. Het gaat immers om de totale duif.

Stel dat je een duif tegenkomt die  zichtbare lichamelijke tekortkomingen heeft, maar het betreft desondanks toch een goede vlieger. Zou je hier dan uit kweken?

Absoluut niet. Als een duif me niet aanstaat in de hand kweek ik er niks uit. Sterker nog; die krijgt geen plaats op mijn hok.

Diverse grote bekende kampioenen beweren dat je met alleen “goed x goed” zonder op andere zaken te letten, een goed hok duiven kan opbouwen waarmee je op kampioensniveau kan spelen. Hoe kijk jij daar tegenaan?         

Ik denk dat er echt wel meer nodig is, want als beide goede duiven toevallig dezelfde kleine gebreken hebben zit je al op het verkeerde spoor.

Hoe kijk jij aan tegen inteelt? Pas jij dat zelf ook toe?

Inteelt is nodig om goede eigenschappen vast te houden. Ik koppel regelmatig half broer x half zus, gericht naar de beste kwekers. Vader x dochter of moeder x zoon pas ik ook regelmatig toe.

Natuurlijke weerstand tegen ziektes is voor dit type duiven die een week in de mand zitten vanwege de infectiedruk mijn inziens absoluut noodzakelijk. Mee eens?

Ja zeker, dat is ook mijn mening. Ik heb de afgelopen 2 jaar geen medicatie hoeven te verstrekken. Met de producten van Aldert Hiemstra houd ik ze perfect schoon. Medicatie breekt af is mijn visie. Ik heb de nodige middelen wel in de kast liggen, maar hoef ze tot nu toe niet meer te gebruiken.

Is er nog iets wat je kwijt wilt over kweken dat niet aan de orde is gekomen?

Ik denk dat de juiste voeding ook erg van invloed is op een goede kweek. Dit inzicht heb ik van Gert-Jan van Houten opgedaan.

 


1 Mei 2021

Jannes Mulder - Steenwijkerwold / Maak de duivensport aantrekkelijker.4

Iemand op wie het onderwerp van deze column op het lijf geschreven is, is de 54 jarige Jannes Mulder uit Steenwijkerwold. Voordat ik Jannes vorige week een bezoek bracht, had ik feitelijk een ander item in gedachten, maar toen ik ’s avonds thuis ons gesprek nog eens door me heen liet gaan, wist ik het zeker. Iets waar Jannes vol van zit en dat steeds terugkeerde in ons gesprek, is dat de duivensport behouden moet blijven. Er zitten zoveel mooie kanten aan, dat mag niet verloren gaan zegt Jannes. Hij is de 3e generatie duivenmelker van zijn familie en heeft de duivensport met de paplepel ingegoten gekregen. Vader en opa, die ook beiden Jannes heetten, waren fanatieke duivenmelkers. Zodoende is Jannes, die dus tussen de duiven is opgegroeid, zowel met de leuke als met de minder leuke kanten van de duivensport geconfronteerd. Na zelf als jeugdlid tussen zijn 10e en 15e jaar actief aan de duivensport te hebben deelgenomen, kwamen er andere interesses zoals muziek en meisjes, die moeilijk met de duivensport te combineren waren. De duiven gingen dan ook weg en Jannes richtte zich op zijn carrière als maatschappelijk werker, het stichten van een gezin en zijn andere activiteiten als speaker / live presenator van sportevenementen, dagvoorzitter, veilingmeester, trouwambtenaar en gemeenteraadslid. Totdat op zeker dag zijn zoontje met 2 duifjes thuis kwam, waarmee het vlammetje bij Jannes weer werd aangestoken. En zo werd Jannes weer duivenmelker na een afwezigheid van bijna 30 jaar.

Ik vroeg Jannes naar zijn ervaringen na zo’n lange afwezigheid in de duivensport; “Nadat ik lid was geworden van PV de Doorzetters in Steenwijkerwold, ontdekte ik tot mijn niet geringe verbazing, dat er behalve de soorten klokken en de wat andere type duiven er eigenlijk niet veel veranderd was in die 30 jaar. De puntentelling, kampioenschappen, prijzen, feestavonden, etc. was allemaal nog steeds het zelfde. Ik kwam er al snel achter dat het moeilijk is om in de conservatieve duivenwereld dingen te veranderen, die in mijn ogen nodig zijn om de toekomst van onze sport veilig te stellen.  Toch is het zeker niet onmogelijk om zaken te veranderen c.q. te verbeteren. Binnen 2 jaar nadat ik lid van de club was geworden, ben ik in het bestuur gekomen als voorzitter. En ik had het geluk dat ik met mijn enthousiasme de leden warm kon krijgen voor nieuwe dingen, zoals aparte projecten om positieve aandacht voor onze sport te krijgen, op een andere manier organiseren van prijsuitreikingen, sponsoring van een voetbalteam met een koppelwedstrijd , een TT met een school samen waarbij kinderen een duif mogen uit kiezen, enz. Ik ben een clubman en wil graag iedereen aan boord houden en verzin daarom verschillende spelletjes binnen de club zodat iedereen het gevoel heeft dat het iedere week ergens om draait.”

Uit het bovenstaande blijkt wel dat Jannes met een heel andere insteek dan de gemiddelde herstarter weer aan de duivensport is begonnen. In plaats van zich druk te maken hoe hij zelf met kans op succes aan de duivensport kan deelnemen, is hij veel meer bezig met het algemeen belang. “Mijn sportbeleving bestaat eruit dat ik kan genieten van de verzorging van de duiven. Ik ben altijd blij en geniet ervan als een duif terug komt van de vlucht. Dat blijft voor mij bijzonder. Daarnaast geniet ik ook enorm van het clubleven. Om na een week hard werken gewoon even wat te kunnen zeuren en met een biertje erbij in het clublokaal, de problemen in de wereld door te nemen. Daarom vind ik het ook erg jammer dat het voor de werkende liefhebber steeds moeilijker wordt om optimaal van het clubleven te genieten. Vanwege het rijtijdenbesluit komt de auto te vroeg bij de club en is het rennen en vliegen om in te korven. Die mensen moeten dan nog eten, dus gaan direct naar huis en blijven niet aan de bar zitten zoals vroeger, toen de wagen ’s avonds laat kwam.”

Jannes geeft verder aan dat hij in zijn hoedanigheid als speaker in de sportwereld heel veel contacten heeft in diverse sporten als schaatsen, wielrennen en skeeleren. Hij hoort en ziet veel en dat zette hem wel aan het denken. Jannes; “Ik beoefen de duivensport in de wetenschap dat dit de meest oneerlijke sport is die er bestaat. De ligging, wind, vlieglijnen en nog heel veel andere factoren spelen mee waardoor het nooit echt eerlijk zal kunnen zijn. Dat neemt niet weg dat er altijd goede melkers zullen zijn die er in slagen om ondanks dat wel boven de middenmoot uit te stijgen. Maar juist omdat er al zoveel factoren zijn waarop we geen invloed hebben, vind ik dat er iets aan de ongelijke strijd moet worden gedaan tussen de hobbyspelers en de professionele hokken. In alle sporten kent men verschillende klassen maar in onze sport niet. Aan de ene kant is het mooi dat Steenwijkerwold 5 kan voetballen tegen Barcelona, maar aan de andere kant is er sprake van een hele vreemde situatie. Want bij zulke wedstrijden zou je uitslagen kunnen krijgen van bijvoorbeeld 22-0 of 33-2. Dat gaat toch nergens meer over?!"

"Als ik een vergelijk maak met de schaatssport en skeelersport dan is er ook bij die sporten, net als bij de duivensport, sprake van een massa start. Iedereen start tegelijk in de wedstrijd en is er in beide sporten een winnaar. Maar bij het schaatsen en skeeleren maakt men vanuit die ene wedstrijd diverse uitslagen op basis van bijvoorbeeld leeftijd. Zo iets zou ik ook graag zien in de duivensport en dan per aantal ingezette duiven. Dit moet technisch gemakkelijk te realiseren zijn. Je krijgt dan bijvoorbeeld op een vlucht als Orleans een top 10 van alle duiven en vervolgens een top 10 van liefhebbers met 10 mee, 20 mee, 30 mee, etc.”

Jannes zit boordevol ideeën om de duivensport aantrekkelijker te maken en is ook een goede ambassadeur voor de duivensport. Zo is hij ook de oprichter van het project Maargieshoeve. De Maargieshoeve is een zorgboerderij in Kallenkote. Deze zorgboerderij biedt een gestructureerd dagprogramma voor diverse doelgroepen met een zorgvraag. De duivensport past hier uiteraard prima bij zodat er inmiddels al weer drie jaar een goede samenwerking is tussen PV de Doorzetters uit Steenwijkerwold en de Maargieshoeve. Dit houdt in dat een aantal medewerkers van de zorgboerderij onder begeleiding van een ervaren duivenliefhebber (Gerrit Vedder) deelneemt aan de duivensport. Ieder jaar krijgen ze van ieder lid van de club twee jonge duiven. Dat het wel goed zit met de verzorging door de medewerkers van de Maargies Hoeve en de begeleiding van Gerrit, blijkt wel uit het feit dat afgelopen jaar het kampioenschap jonge duiven werd behaald. Een fantastisch resultaat waarmee een ieder erg blij is, zowel de medewerkers van de Maargieshoeve als de leden van PV de Doorzetters. Naast het verzorgen van hun duiven maken de deelnemers van de zorgboerderij overigens ook iedere maandag de manden schoon van de club. Kortom een geslaagd project waarvoor ze heel terecht van de NPO een prijs hebben ontvangen. Jannes; “Ik ben heel trots op het succes van dit project. Dit is een voorbeeld van hoe we de sport breder kunnen maken. Ik denk hierbij niet alleen aan zorgboerderijen maar ook aan bijvoorbeeld bejaardentehuizen etc. Maar we moeten vooral eerst beginnen met de duivensport begrijpelijk te maken voor de buitenwereld. Hier ligt niet alleen voor de organisatie maar ook voor iedere duivenliefhebber een schone taak. Geef het goede voorbeeld.”

Met deze mooie woorden van Jannes sluit ik deze minireportage af en als ik iets te zeggen zou hebben binnen de Duivensportbond, zou ik Jannes direct benaderen voor de Sectie Sportbeleving want deze man zal een zeer waardevolle bijdrage kunnen leveren aan het behoud van de duivensport. Daar ben ik van overtuigd.


1 april 2021

Leon en Robin Eerenstein – Nieuwleusen / Een herstart maken.8

De vorige column over herstarters was niet al te positief. De hoofdpersonen uit die column hadden tot nog toe nauwelijks succes, maar al wel heel veel tegenslag ervaren. Ik kreeg er dan ook diverse reacties op. Zo gaf Gerard Dekker aan dat het verwachtingspatroon waarmee duivenliefhebbers starten nogal veranderd is. Vroeger was een duif terugkrijgen van Barcelona, ook al was dat 14 dagen later, reden genoeg om die duif de Barcelona te noemen en trots op de duif te zijn. Ook al had die dus niets meer gepresteerd dan alleen maar thuis te komen. Dat is tegenwoordig voor het overgrote deel van de liefhebbers beslist niet meer voldoende. Vrijwel iedereen die nu met duiven speelt wil tenminste op de uitslag staan.

Dat laatste geldt ook voor de 45 jarige Leon Eerenstein uit Nieuwleusen die recent weer met postduiven is gestart. Hij heeft vanaf zijn kinderjaren met enkele korte onderbrekingen i.v.m. studie altijd duiven gehad. Maar de grootste periode waren dit vooral sierduiven. Alleen tussen 1996 en 2001 is hij samen met zijn broer Daniël actief geweest in de postduivensport. Recent heeft hij pas weer de eerste stappen in de postduivenwereld gezet. Leon; “Toen ik ging studeren in Enschede ben ik daar ook gaan wonen. Na mijn studie en weer terug in Zwolle ging ik werken bij Dunnink. Rein Dunnink, één van de eigenaren van het bedrijf hield postduiven achter de zaak. Omdat mijn ouderlijk huis bijna recht tegenover het bedrijf en de hokken stond, was ik er dus regelmatig op zaterdag te vinden om te kijken naar het thuiskomen van de duiven. Eigenlijk is mijn interesse voor postduiven hier ontstaan. Het eerste hok was een omgebouwde volière. We werden lid van PV de Duif en kregen van alle kanten hulp en duiven aangeboden. Na een moeizame start werd op advies van clubleden het hok afgebroken en elders een bestaand hok opgehaald. Met dat hok en duiven van Rein Dunnink en Jan Jans werden met de jonge duiven een paar leuke succesjes behaald. Het was echter van korte duur want ik ging in het familiebedrijf werken en toen was er geen tijd voor postduiven meer.

Leon is dus lange tijd zonder postduiven geweest. Maar niet geheel zonder duiven, al waren het geen postduiven. Leon; “Toen ik mijn vrouw leerde kennen en samen ging wonen, heb ik me een tijdje bezig gehouden met hondensport (IPO) en dus geen duiven gehouden. Totdat we een woonboerderij kochten in Nieuwleusen en meer ruimte kregen voor duiven. Via internet kwam ik in aanraking met de Horseman Kropper en later kwamen daar diverse Spaanse rassen bij via Patrick Jannink. Ik vind het schitterend om deze duiven te zien vliegen! Op een gegeven moment moest ik keuzes maken. Er waren schapen, paarden, honden en duiven. Dus moesten de duiven weg, want daar had mijn vrouw niks mee en ook mijn zwager niet die naast mij woonde met mijn zus. Na een paar jaar vertrok mijn zwager. Vanwege pech en een stevige knieblessure moest er gestopt worden met de paarden. Dus ging ik alleen met de schapen verder. Na in februari 2020 samen met mijn vrouw een stevige corona besmetting te hebben doorgemaakt, werd uiteindelijk besloten om de 65 schapen te verkopen. En toen was er ineens niets meer. Gelukkig heb ik altijd tegen mijn vrouw gezegd dat als de schapen weg gingen, er weer postduiven zouden komen en zo ben ik weer postduivenliefhebber geworden. Op dit moment heb ik nog geen postduiven, maar een hok is in aanbouw en de eerste duiven zijn onderweg.”

Anders dan de vorige herstarters die in deze reeks columns voorbij kwamen, is Leon dus al op mijn pad gekomen voordat hij zijn rentree maakte in de duivensport. Dit geeft al aan hoe weloverwogen hij te werk gaat. Dat zie ik niet vaak bij de gemiddelde beginner of herstarter. Leon; Ik ben me eerst eens gaan verdiepen in hoe de duivensport er nu voor staat in vergelijking tot 20 jaar geleden. Vooral de professionalisering viel me op. Als ik naar de hokpresentaties kijk van een aantal van de grote liefhebbers, heb ik daar (als ondernemer) respect voor. Het inspireert mij wanneer ik zie dat iemand zijn of haar droom laat uitkomen en van een hobby zijn beroep kan maken. Ik kom uit een ondernemersgezin en heb dus de neiging is om te zeggen dat de professionalisering van een kleine groep commerciële duivenliefhebbers geen probleem is. Maar ik begrijp ook dat de "kleine liefhebber" hier meer moeite mee heeft. De grote professionals zetten ons land qua duivensport internationaal op de kaart. Maar zij hebben ook de kleine liefhebbers nodig om beter te zijn. Wel kunnen de professionals misschien heel goed fungeren als magneet voor beginnende liefhebbers, zoals ik. Dan bedoel ik niet qua omvang en doel maar wel qua organisatie en planning. Het is wat dat betreft net als paardensport. Hoeveel jonge meiden werden niet geïnspireerd door Edward Gal met Totilas en Anky van Grunsven met Bonfire? Nooit te evenaren, maar aansprekend en motiverend om het beter te doen en harder te werken. Zij hebben de totale paardensport op de kaart gezet en zorgden er mede voor dat de Nederlandse paardensport nog steeds van Wereldklasse is. Is hier dan tegen op te boksen? Ik denk dat als je kritisch kijkt het wel degelijk mogelijk is, maar misschien zijn de overwinningen minder talrijk. Maar is dat belangrijk? Het gaat immers ook en vooral om het plezier dat je er aan beleeft!”

Uit het bovenstaande blijkt wel dat Leon er goed over nagedacht heeft of en op welke manier hij de duivensport weer op zou pakken. Ik vroeg Leon wat zijn doel is en hoe hij te werk is gegaan tot nu toe. Leon; “Ik heb besloten dat mijn doel als starter eerst en vooral is te zorgen dat er duiven op het hok vliegen die er graag naar terug komen. En vervolgens of het me gaat lukken om de noodzakelijke vorm op het hok te verkrijgen. Ik denk dat dit voor nu al een uitdaging op zich is. Nu ik een nieuw hok aan het bouwen ben, realiseer ik me hoe ingewikkeld het is om van het begin af te starten. Alleen al ten aanzien van het hok. Hoe ligt het? Waar komt het licht vandaan? Is het droog? Tocht het niet? Hoe is de verluchting? Hoe deel ik de hokken in? Hoeveel afdelingen? Al met al maakt mij dit als herstarter al erg onzeker. Gelukkig heb ik inmiddels van een aantal duivenliefhebbers uit de plaatselijke club al veel tips gehad. En over praktische hulp mag ik ook al niet klagen. Mijn vriend Gerjan van Raidt Services heeft me met het bouwen van het hok enorm geholpen. Zonder hem had ik nu nog geen hok. Ook mijn buurman Herman heeft een groot aandeel gehad in het bouwen van het interieur en aanleggen van verlichting etc.”

Voor beginners en herstarters heb ik een stapel dubbele duivenboeken liggen, maar doorgaans zijn de meeste duivenliefhebbers geen lezers van duivenboeken. Dat geldt echter niet voor Leon, die al een flinke stapel heeft opgehaald en de eerste boeken al van voor naar achteren heeft doorgelezen. Ook internet struint hij flink af; “Ik moet zeggen dat YouTube en Google me heel wat informatie hebben verschaft. Vooral films van Falco Ebben heb ik denk allemaal al 3 x gezien. Daarnaast heb ik van diverse mensen informatie opgepikt zoals van Gerben Knol, Rinke Kouwen, Johan Jansen, Daniel Kreileman en de-duivencoach.nl, maar ook een middag bij Gert-Jan Beute was leerzaam.” Ik heb ervaren dat de gemiddelde beginner en herstarter best veel moeite heeft met het ziften van alle informatie die over hen heen uitgestort wordt. Hoe pakt Leon dit aan? “Zin en onzin scheiden is niet gemakkelijk, maar ik heb natuurlijk al bijna mijn hele leven dieren/duiven. Met de schapen heb ik wel wat leergeld betaald. Ik heb ontdekt dat ik me het beste voel bij de wat hardere aanpak met een minimum aan medicatie. Bij de schapen werkte het uiteindelijk ook het beste om de zwakkeren zo snel mogelijk er uit te halen en te selecteren op een grote natuurlijke weerstand. Zo wil ik het ook bij de duiven aanpakken. Misschien ga ik wel vreselijk op mijn plaat, dat kan. En natuurlijk zal ik ook wel producten gaan gebruiken die nodig zijn en logisch voelen.”

Een van de reacties op de vorige column over herstarters was dat het niet meevalt als je vrouw niets van de duiven moet hebben. Ik vroeg Leon hoe dat bij hem is. Leon; “Mijn vrouw interesseert duiven niets en dat is wellicht een probleem. Echter mijn dochter des te meer, dus aan haar heb ik een echte duivenvriend. Wat betreft mijn vrouw; zo begon het bij de schapen ook, ze vond het niks, maar na 2 jaar was ze bloedfanatiek. Overigens ben ik er erg blij mee dat mijn dochter Robin in de duiven geïnteresseerd is. Zij is zelfs al lid van de plaatselijke vereniging. Ik moet dat zelf nog worden. Qua tijd wordt het waarschijnlijk veel passen en meten. En dan is het fijn dat Robin de duiven kan loslaten en binnen roepen, wanneer ik zelf aan het werk ben.”

Leon gaf hiervoor al aan dat het tot nu toe niet meevalt om een herstart te maken in de duivensport en dan staat hij nu nog maar aan het begin. Wat ziet hij nog meer voor obstakels behalve de bouw van zijn hok en het tekort aan tijd? Leon; “Eerlijk gezegd denk ik dat toetreden tot de duivensport niet gemakkelijk is. Ik ondervind het allemaal nu zelf en dan heb ik nog het voordeel dat ik in het verleden een paar jaar actief als duivenliefhebber ben geweest. Maar stel dat je helemaal blanco de duivensport instapt? Hoe vergaar je dan de nodige kennis? Het is een complexe sport met vele vragen zoals wat een goed hok is, hoe je aan goede duiven komt, hoe en wat te voeren, enz. Zaken waar ik zelf ook vele vragen over heb. En dan heb je nog het financiële plaatje. Wat mag en moet het allemaal kosten? In de voorlichting naar beginners is nog veel te winnen. Ik vind dat de duivensport teveel naar binnen gekeerd is. Teveel bezig met zichzelf. Terwijl er genoeg mensen zijn die een dergelijke prachtige hobby goed zouden kunnen gebruiken, worden zij niet bereikt. Jammer is dat! Ik denk dat wanneer je wilt dat de duivensporters blijft bestaan, je veel meer naar buiten moet treden. Inzicht moet geven in de hobby. Laten zien dat je liefde hebt voor je duiven en voor de natuur in het algemeen. En ik denk ook dat er vanuit de duivensport actief moet worden ingezet op mensen boven de 40. Deze hebben meestal iets meer te besteden en wellicht ook iets meer vrije tijd verkregen (kinderen wat ouder).”

Tot zover Leon Eerenstein, die ondanks dat hij nog maar in het voorportaal van de duivensport staat, al een duidelijke visie heeft ontwikkeld en een duidelijk plan heeft. Ik zie grote overeenkomsten met Bert Bloemert, de herstarter over wie ik in 2012 schreef. Bert behoort inmiddels tot één der beste spelers van afdeling 10 en ook landelijk drukt hij zijn neus regelmatig aan het venster met in 2020 o.a. de 1e duifkampioen jong van Nederland. De komende tijd zullen we gaan zien of het Leon met hulp van zijn dochter Robin gaat lukken om in diens voetsporen te treden.


1 Maart 2021

Bedreigingen voor de duivensport.2 – Wetgeving / Politiek

In deze tijd zet het Coronavirus de hele wereld op zijn kop. Naast de enorme impact op de volksgezondheid, gaan bedrijven failliet en verliezen mensen hun baan met alle consequenties van dien. Ook onder de duivenliefhebbers zijn er die al niet veel te besteden hadden, die nu in een positie terecht komen waarin geld aan de duivenhobby uitgeven, nog eens kritisch zal moeten worden bekeken. Je zou zeggen dat het voor de hand ligt dat het aantal duivenliefhebbers door deze narigheid nog verder zal afnemen. En het lijkt wel of het aantal bedreigingen die het voortbestaan van de duivensport in gevaar brengen, steeds meer toenemen. Nog midden in deze coronacrisis kwam recent het bericht dat de Europese Unie de regels voor het vervoer van dieren binnen Europa wil verscherpen. Dit zal vergaande gevolgen hebben voor de duivensport, als er voor de duivensport geen uitzondering zal worden gemaakt. Het is dus afwachten of en zo ja, hoe deze bedreiging zal kunnen worden afgewend. Deze laatste bedreiging voor de duivensport bracht me op het (sub)onderwerp van deze column, namelijk de invloed van wet- en regelgeving en politiek op onze sport/hobby.

Anders dan dat ik gewoonlijk doe breng ik deze keer niet één liefhebber voor het voetlicht die ik zijn zegje over het desbetreffende onderwerp laat doen, maar heb ik meerdere liefhebbers uit mijn netwerk een aantal vragen voorgelegd. Van enkelen heb ik hun antwoorden verwerkt in deze column en anderen laat ik zelf aan het woord. Een van de liefhebbers die ik letterlijk citeer is René Dalmolen de huidige voorzitter van Afdeling 10. René is één van leden van de Covid-19 werkgroep en heeft in die hoedanigheid mede de protocollen opgesteld die het mogelijk maakten dat de overheid toestemming gaf om weer met de duiven te kunnen spelen. Ik vroeg hem hoe hij aankijkt tegen de huidige situatie en of hij de corona-pandemie ook als een bedreiging voor de duivensport ervaart. “Enerzijds is dat wel zo. Maar aan de andere kant zie ik ook dat door de beperkingen die de mensen vanwege het coronavirus worden opgelegd, er ook veel mensen zijn die hobby’s opzoeken die ze thuis kunnen beoefenen. Zo zijn er veel meer honden en katten verkocht en alle asieldieren zijn zomaar weg. En de eerste herintredende duivenmelkers dienen zich ook alweer aan. Het is natuurlijk wel de vraag of het een blijvende verandering is. Daarnaast zie je dat het inkorven op afspraak, wat door de corona is ingevoerd, bij veel verenigingen een blijvertje is. Mensen zijn niet de hele avond weg en zo blijft er ook in de omgeving meer draagvlak voor de sport. Nu de eerste kloksystemen die je vanuit huis kunt afslaan klaar zijn geeft de corona de sport misschien juist wel een onverwachte impuls.”

De regels naar aanleiding van de coronapandemie en de EU regels zijn niet de enige obstakels die er door de jaren heen vanuit de politiek voor de duivensport zijn opgeworpen. Vanaf beginjaren 80 is er diverse keren van overheidswege ingegrepen met wetgeving/maatregelen voor de duivensport. Soms hadden die gevolgen voor een aantal liefhebbers, maar dikwijls ook voor de gehele Nederlandse duivensport. Zo werd begin jaren tachtig de pluimvee en duivensportwereld opgeschrikt door het Newcastle Disease (NCD, pseudovogelpest) veroorzaakt door het Paramyxovirus. Een van de maatregelen die door de overheid werd genomen, was dat vanaf dan alle postduiven in Nederland moesten worden geënt. In die jaren bestond ook de ophokplicht al. Men dacht toen nog dat ook postduiven besmettelijke ziekten konden overdragen. Vooral dankzij onderzoek van universiteiten in België is dat wetenschappelijk ontkracht en zijn later de voorschriften aangepast. Een andere reden waarom op bepaalde dagen in najaar en voorjaar de duiven binnen moesten blijven, was om jagers de gelegenheid te geven verwilderde duiven af te schieten in de zaai en oogstperiode. Korter geleden (2003) herinneren de meesten zich nog wel dat 30 miljoen stuks pluimvee, vooral kippen, gedood werden vanwege de tot nu toe ergste uitbraak van het vogelgriepvirus. In 2006 mochten de postduiven drie weken niet los vliegen vanwege een uitbraak van het vogelgriepvirus. Daarnaast was er tot 1 mei van dat jaar een verzamelverbod voor duiven zodat het vliegseizoen ongeveer een maand later pas mocht worden gestart. Een jaar later moest begin van het seizoen worden uitgeweken naar Duitsland omdat de duiven Frankrijk niet in mochten vanwege weer een uitbraak van vogelgriep. En momenteel is er de situatie, waarin er als gevolg van de in november 2020 aangescherpte corona maatregelen, geen clubshows, kampioenenhuldigingen, tentoonstellingen, tafelkeuringen en ook geen nationale manifestatie mag worden georganiseerd. 

Al de bovenstaande voorbeelden van overheidsingrepen die directe gevolgen hadden voor het beoefenen van de duivensport heeft de duivensport leden gekost. Meestal was het “de bekende druppel die de emmer deed overlopen”, maar zonder dit overheidsingrijpen waren er wellicht nog een aantal van hen nog behouden voor de duivensport.

Wet- en regelgeving kunnen het de duivensport dus vrij lastig maken en zelfs onmogelijk. Zoals bijvoorbeeld het verbod op éénhoksraces met postduiven, dat door de NPO is ingesteld onder druk van het Ministerie van LNV. Nergens ter wereld geldt zo’n verbod. En als het aan een politieke partij als Partij voor de Dieren ligt, zou zelfs de totale duivensport verboden moeten worden net als veel andere sporten met dieren overigens. Ik vroeg Leo van der Waart die vanuit zijn positie bij de WOWD regelmatig met de overheid om de tafel zit, of hij denkt dat het ooit zover zou komen. “Als het aan de Partij voor de Dieren ligt wel. Die streven naar een samenleving waarin zo min mogelijk dieren worden gebruikt door de mens. Gelukkig is dat nog steeds een kleine partij, maar ze groeien toch gestaag. In de laatste peilingen hadden ze er 3 Kamerzetels bij. Er is ook zeker aandacht voor wedstrijdsport met dieren in de huidige Wet dieren. In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) die in 1992 van kracht werd, kwam het woord wedstrijd of wedstrijden in totaal 3 keer voor. In de Wet dieren, die in 2013 van kracht werd, komt het woord wedstrijd of wedstrijden maar liefst 17 keer voor. Dit geeft aan dat wedstrijden met dieren zeker op de agenda van de politiek staan. Om wedstrijden met dieren te laten ophouden is het ook helemaal niet nodig om ze expliciet te verbieden. Als we gehouden gaan worden aan de nieuwe gedelegeerde verordening van de EU met betrekking tot het verplaatsen van dieren binnen de EU, dan is het volgens mij afgelopen met de duivensport in Nederland. De kosten van de verplichte keuringen worden dan veel te hoog voor 99% van de liefhebbers. Op die manier kun je dus ook wedstrijdsport met dieren beëindigen. Ik denk overigens niet dat dit het doel geweest is van deze verordening. Wedstrijdsport met dieren helemaal verbieden is niet iets wat de overige politieke partijen in hun verkiezingsprogramma hebben staan (tenminste niet dat ik weet). Zolang wij geen rare dingen doen en laten zien aan de overheid dat wij aan zelfregulatie doen waarbij het welzijn van onze duiven voorop staat, dan zal het zo'n vaart niet lopen met het helemaal verbieden van wedvluchten.”

De massale vernietiging van dieren in het verleden (koeien, varkens, geiten, schapen en kippen) brachten veel dierenleed en in de ogen van veel mensen onnodige verspilling van gezond leven in de media. Er werden felle acties gevoerd tegen het preventief ruimen en voor het massaal inenten van gezonde dieren. Ik vroeg Leo van der Waart of daarmee wellicht voeding is gegeven aan de dierenbeschermingsorganisaties. Dat deze bijvoorbeeld hierdoor veel leden hebben kunnen werven en zo zijn uitgegroeid tot partijen waarmee de politiek wel degelijk rekening moet houden? Leo; “De dierenbeschermingsorganisaties in Nederland krijgen veel geld dat bestemd is voor goede doelen en zijn daarmee in staat om mensen in dienst te nemen om te lobbyen bij de politieke partijen en ze hebben uiteraard ook geld voor een professionele afdeling Communicatie. Hierdoor weten ze hun standpunten zeer goed onder de aandacht te brengen. Daar hebben ze niet veel leden voor nodig (al is dat wel meegenomen natuurlijk). De ruimingen als gevolg van mond- en klauwzeer, varkenspest en vogelgriep hebben misschien niet voor leden gezorgd, maar mensen zijn wel anders naar het houden van dieren gaan kijken. Daarnaast staan mensen tegenwoordig ook veel verder van de natuur en het houden van dieren af als vroeger en kunnen ze zich ook nog eens moeilijk in een ander verplaatsen. Dat het een boer heel hard raakte als er geruimd werd, vonden veel mensen maar vreemd want anders werden die dieren toch ook geslacht? Vroeger was het ook heel gewoon om je eigen konijnen en kippen te slachten voor eigen gebruik. Als je dat nu doet wordt je gek aangekeken, want dat is zielig. Dit alles heeft tot gevolg dat de politiek heel anders naar het houden van dieren is gaan kijken en dat we dus zorgvuldig met het welzijn van onze duiven moeten omgaan. Als we dat niet doen dan krijgen we vroeg of laat te maken regelgeving van bovenaf.”

Wanneer de duivensport negatief in het nieuws is en dit leidt tot Kamervragen (bijvoorbeeld bij z.g. rampvluchten, éénhoksraces, duivenoverlast in grote steden, vergiftigen van roofvogels waarbij de verdenking bij de duivenliefhebbers ligt, enz.), wordt door de verantwoordelijk bewindspersoon veelal verwezen naar de NPO die hun verantwoordelijkheid moet nemen. Hieruit blijkt mijn inziens dat de duivensport voor haar voortbestaan gebaat is bij een sterke bond die de belangen behartigt van elke duivenliefhebber. Ik vroeg aan Leo en René hoe zij hier tegenaan kijken.

Leo; “Daar ben ik het mee eens. De NPO moet de belangen van alles wat met de wedstrijdsport met duiven te maken heeft behartigen. Als er met "Den Haag" gesproken wordt, dan is dat met ambtenaren van het ministerie van LNV. Deze hebben één aanspreekpunt nodig en dat kan niet vandaag Afdeling X zijn en morgen Afdeling Y. Met dit vaste aanspreekpunt wordt een vertrouwensband op gebouwd en dat betekent dat ze ook contact zoeken als er zaken m.b.t. de duivensport spelen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ze het dan altijd met ons eens zijn, maar we kunnen ze dan in ieder geval van de juiste en consistente informatie voorzien. Dat voorkomt veel narigheid. Toen de NPO nog een directeur had, was die het vaste aanspreekpunt voor LNV. Met het vertrek van de laatste directeur en daarnaast het vergeten om de emailadreswijziging na de verkoop van de domeinnaam npo.nl te sturen aan het ministerie, is het contact behoorlijk verwaterd. Het laatste half jaar zijn die contacten weer aangetrokken en dat moeten we zo houden. Daarnaast moeten we ook samenwerken met andere hobbydierhouder organisaties. Samen sta je sterker.”

René; “De politiek is de laatste jaren sterk veranderd. We hebben partijen die speciaal beleid voeren op dierenwelzijn en we hebben een afzonderlijke Partij voor de Dieren. Het beeld van het houden van dieren is veranderd en dat is een werkelijkheid die we onder ogen moeten zien. Het houden van wedstrijden met dieren is iets wat we niet voor zeker kunnen blijven nemen. We moeten dus goed omgaan met deze uitzondering. We kennen allemaal wel de krantenkoppen over rampvluchten. Ik zet daar tegenover dat de meeste duivenmelkers 365 dagen per jaar met hun duiven bezig zijn en juist erg hun best doen om alle duiven snel weer terug te krijgen op hun hok. We moeten werken aan de beeldvorming en ieder lid heeft daar een rol in en moet zich daar bewust van zijn. Ook het ophalen van duiven die onderweg worden opgevangen hoort daar ook bij. Het is een kwestie van je verantwoordelijkheid nemen. Bij excessen vind ik ook dat afdelingen en ook zeker de NPO op moeten treden. Dus inderdaad is de duivensport gebaat bij een sterke bond die onze belangen behartigt.”

De uitspraak van René dat iedere duivenliefhebber dient te werken aan een positieve beeldvorming werd ook door een aantal andere liefhebbers gedaan die ik voor deze column om input vroeg. Zo gaf Gerhard Bolks aan dat volgens hem de grootste bedreiging voor de duivensport de liefhebbers zelf zijn. Hij verwees daarbij naar de sociale media waarop een kleine groep duivenliefhebbers te pas en te onpas paniek zaait en ongefundeerde kritiek spuit. Zij trekken daarmee aandacht en niet alleen van duivenliefhebbers. Waarschijnlijk is het hen daarom te doen, maar dat ze hiermee de duivensport een hele slechte dienst bewijzen mag duidelijk zijn. Hoe meer signalen de politiek bereiken over zogenaamde misstanden, des te eerder zal een minister of een kamerlid zich gedwongen voelen om hier iets aan te doen. Het gevolg is politieke bemoeienis en dus nog meer wet- en regelgeving.


1 Februari 2021

Diana Nijman - Balkbrug / Vrouwen in de Duivensport - 2

Het is inmiddels al weer 8 jaar geleden dat ik schreef over een vrouw in de duivensport. Dit betrof Christianne Niks uit Westerhaar. De afgelopen jaren zag ik steeds meer vrouwen die actief in de duivensport zijn. Zo maakte Esther Noorderijk een paar jaar deel uit van het NPO bestuur en ook nu heeft de NPO weer een vrouwelijk bestuurslid in de persoon van Annette Espeldoorn. Ook tijdens mijn activiteiten als de-duivencoach.nl kwam ik geregeld vrouwen tegen die zelfstandig of samen met hun partner de duivensport beoefenen. Daarom vond ik het hoog tijd om weer eens een vrouwelijke duivenliefhebber aan het woord te laten. Deze keer is dat de 53 jarige Diana Nijman uit Balkbrug.

Diana is in 2010 zelfstandig met de duivensport gestart, nadat ze een aantal jaren haar man Marcus had geholpen. Als hij vanwege zijn werk de duiven niet kon binnen halen, zowel van de doordeweekse trainingen als zaterdags van de vlucht, deed Diana dat. Dit vond ze zo leuk dat ze uiteindelijk voor zichzelf is begonnen met een eigen hok en eigen duiven. Haar eerste succes was de eerste jonge duivenvlucht waarop ze in 2010 meedeed. Met een 1e prijs in de club en een teletekstvermelding in de afdeling kun je wel spreken van een vliegende start. Haar mooiste succes vindt ze de prestaties over het seizoen 2019. Haar duiven deden het dat jaar zo goed dat ze in 2020 naar de A-poule van de vereniging promoveerde.

Diana speelt niet alleen met eigen duiven op een eigen hok, maar speelt ook in een andere vereniging dan haar man. Diana; “Toen Marcus in 2000 met de duivensport begon waren de rayons anders ingedeeld dan nu. Daarom werd Marcus toen lid in Nieuwleusen. Toen ik begon kon ik lid in Dedemsvaart worden. Wij zijn allebei vrij competitief dus dit was een mooie oplossing. Vanaf het begin heb ik ook geen duiven van Marcus in het hok. We vliegen tegen elkaar. Mijn duiven komen van Jan Kleinlugtebelt uit Vroomshoop. Van hem heb ik duiven gekregen toen ik vertelde dat ik niet met Marcus zijn duiven wou vliegen. Ook heb ik duiven gekocht van Martin Trompetter uit Staphorst. Natuurlijk kwamen er ook wel eens duiven van andere liefhebbers bij. Maar met de duiven van deze twee liefhebbers ben ik het beste geslaagd.”

Diana beoefent dus geheel zelfstandig de duivensport. Natuurlijk springt Marcus wel bij als dat nodig mocht zijn. Bij ziekte bijvoorbeeld. Maar zoals gezegd heeft hij geen enkele bemoeienis met Diana haar duiven. Diana speelt met 30 oude duiven en doet dat geheel op haar eigen manier. Maar wat vindt ze nou eigenlijk zo mooi aan de duivensport?  “Het mooiste aan de duivensport vind ik mijn duiven terug te zien komen van de vlucht. Vooral als ze een beetje goed achter elkaar aan komen en ik voor mijn man zit . Die competitie die wij samen hebben is geweldig. Ik vlieg op de vitesse en de midfond met 15 duivinnen. En op de natour alleen met mijn doffers. Ik vlieg geen fond omdat ik van de snelheid houd en het prachtig vind als ze binnen een uur na de eerste allemaal weer in het hok zitten. Dat lukt natuurlijk niet altijd en dan probeer ik dat te verbeteren. Zo ben ik al 10 jaar bezig en ik geniet daar erg van.”

In de afgelopen jaren sprak ik ook met enkele vrouwen die gedurende een korte periode postduiven hadden gehad, maar ontgoocheld waren afgehaakt. Als reden werd aangegeven dat ze als vrouw niet serieus werden genomen. Dat ze geen aansluiting hadden bij de andere clubleden en geen hulp kregen. Kortom ze kregen sterk het gevoel dat ze een vreemde eend in de bijt waren en niets te zoeken hadden in de duivensport. Diana heeft gelukkig veel positievere ervaringen. “Er komen volgens mij steeds meer vrouwelijke liefhebbers bij in de duivensport. Bij mij in de vereniging zijn we met z'n drieën. We hebben veel contact met elkaar en proberen elkaar te helpen zodat we de mannen eraf kunnen vliegen. In de B poule lukt ons dat regelmatig haha. Er zit altijd wel een vrouw bij de eerste tien van de vereniging. Top toch?! Ook met vrouwen uit andere verenigingen heb ik wel contact. Verder doe ik ook mee aan de Ladies League. Ik vind het een fantastisch initiatief . Hoewel ik wel het idee heb dat er ook een aantal mannen onder de naam van hun vrouw meevliegen. Ik zou tegen die vrouwen willen zeggen; Probeer het eens zelf, het is een fantastische hobby en wat is er mooier dan je eigen man eraf te vliegen?”

In 1995 schreef Jaak Nouwen het boekje “Wat vrouwen niet (mogen) weten over de duivensport”. Hij schreef dit boekje voor de levenspartner van de tot die tijd meestal mannelijke duivenliefhebber. Zijn doel met dit boekje was de vrouwen meer te betrekken bij de duivensport en zodoende te komen tot een meer gezinsvriendelijke duivensport. We zijn inmiddels 25 jaar verder en of de duivensport inmiddels gezinsvriendelijker is geworden weet ik niet. Maar het succes van de Ladies League en het signaal dat het aantal vrouwelijke duivenliefhebbers lijkt toe te nemen, wijst er wel op dat de duivensport inmiddels niet meer vrijwel volledig een mannensport is. Toch komen er relatief gezien weinig nieuwe vrouwelijke duivenliefhebbers bij. Dit blijkt ook uit de ervaringen van Diana; “Omdat ik zelf zoveel plezier aan de duivensport beleef, probeer ik regelmatig andere vrouwen te enthousiasmeren voor de duivensport. Dit resulteert vooralsnog helaas niet in veel aanwas van nieuwe leden. Daar zijn diverse redenen voor. Vrouwen die de duivensport kennen en op zich er wel voor zouden voelen om zelfstandig met duiven te spelen, hebben meestal geen ruimte in de tuin voor een eigen hok. En ze vinden het niet leuk om met eigen duiven uit hetzelfde hok als hun man te vliegen. Voor vrouwen die de duivensport niet kennen is het nogal een hele stap om een hok, duiven en de verdere benodigdheden aan te schaffen.”

Diana is realistisch en stelt geen al te hoge doelen. Voor haar staat de omgang met de duiven en de competitie met haar man en de vrouwelijke liefhebbers in haar club voorop. Het spelplezier zit voor haar beslist niet in een aansprekende overwinning op een groot concours of een kampioenschap. En er zijn ook grenzen aan de inspanningen en financiën die ze voor haar hobby overheeft. Voor Diana is de duivensport een hobby; “Je kunt het net zo moeilijk en ingewikkeld maken als je wilt. Wil je een leuke hobby met ook nog kans op zo nu en dan een mooie uitslag of een vroege duif, dan hoeft het niet zo moeilijk te zijn. Wil je echter alles winnen en bovenaan in de top meedraaien , dan kan het moeilijk en ingewikkeld worden. Over het algemeen heb ik niet te klagen over hulp als het met de duiven om één of andere reden niet zo gaat als dat ik wil of hoop. In deze regio zijn de duivenmelkers wel behulpzaam. Ze geven vast niet al hun geheimen prijs, maar vooral de eerste jaren heb ik menig advies gehad waar ik verder mee kon. Als je wat beter gaat vliegen, worden de adviezen wel wat minder. Want ze willen allemaal het liefste zelf winnen.”

In een enquête uit 2016 die onder alle Nederlandse postduivenliefhebbers is gehouden, bleek een groot aantal van de respondenten hun zorg te hebben over het voortbestaan van de duivensport. Een geluid dat ik zelf ook regelmatig opvang tijdens mijn hokbezoeken of bezoeken aan verenigingen. Maar deze zorg wordt niet gedeeld door Diana; “Het klinkt misschien gek maar ik zelf denk dat de duivensport best een toekomst heeft. Vooral nu er steeds meer vrouwen mee doen. Toch zou het mooi zijn als er ook wat meer jeugd bij zou komen.”

Tot slot geeft Diana nog een voorbeeld dat er in de hoofden van veel mensen toch nog het idee vastgeroest zit dat dat de duivensport een mannensport is. “Tijdens het vliegseizoen komt het geregeld voor dat ik wordt gebeld op mijn eigen mobiele telefoon, waarbij de eerste vraag dan is of mijn man thuis is. Wanneer hij thuis is geef ik hem vervolgens de telefoon. Even later hoor ik hem dan vragen of ze het nummer van de duif willen geven. En weer even later komt hij met de telefoon naar mij toe, waarbij hij de beller aangeeft dat het waarschijnlijk om een duif van mij gaat. Daarna krijg ik dan meestal iemand aan de telefoon die eerst heel hard sorry roept. Dus helaas zijn er ook binnen de duivensport nog veel mensen die blijven denken dat het een mannensport is.”


1 Januari 2021

Harm Berghorst - Doornspijk / Duivensport Vroeger en Nu.3

Vorige week overleed Hielko Postma uit Eenrum met wie ik de eerste column over de verschillen en overeenkomsten in de duivensport van vroeger en nu schreef. Met het overlijden van Hielko is een icoon uit de Noord Nederlandse fondwereld heen gegaan. Ik bewaar hele goede herinneringen aan hem en die zullen er velen met mij hebben. In deze tijd waarin het coronavirus wereldwijd vele slachtoffers maakt, zijn er onder de duivenliefhebbers nog meer slachtoffers te betreuren. En dat is niet vreemd als je je realiseert dat het overgrote deel van de Nederlandse duivenliefhebbers tussen de 60 en 80 jaar oud is. Hielko is overigens niet aan het coronavirus overleden, maar het had niet veel gescheeld of de man die in deze 3e column centraal staat, was wel één van de corona slachtoffers geweest. Het betreft de 74 jarige Harm Berghorst uit Doornspijk. Begin dit jaar werd hij geveld door het corona virus en is drie weken ernstig ziek geweest, gevolgd door nog een paar maanden waarin hij erg vermoeid en lusteloos was. Gelukkig is hij inmiddels weer goed hersteld.

Harm die uit een gezin komt waar vanaf zijn geboorte altijd al dieren waren zoals kippen, fazanten en eenden, kreeg als kleine jongen van zijn vader een hokje met twee witte sierduiven. Daar kwamen in de loop van de tijd nog wat aanvliegers bij en na een paar jaar werd er door Harm besloten om serieus met postduiven te gaan beginnen. Zijn vader vond dat een goed idee en samen bouwden ze een hok. Zo werd er in 1960 door de toen 14 jarige Harm met de postduivensport gestart. Van een aangetrouwde neef (A. van Putten) kwamen de eerste duiven. Later kwamen daar nog duiven bij van Frank van Goor. Na een paar jaar met wisselend succes zelfstandig te hebben gespeeld, besloot zijn oudere broer Gerrit Jan om mee te gaan doen en vanaf die tijd werden er nog mooiere prestaties behaald. Ze hebben samen zo’n kleine veertig jaar in combinatie gevlogen.

Door de jaren heen heeft Harm mooie successen gekend. Nu de jaren beginnen te tellen is zijn geheugen niet meer wat het geweest is en zijn de meeste kampioenschappen of overwinningen ver weg gezakt in zijn herinnering. Wat hij zich nog wel kan herinneren is dat hij ooit een horloge won op een nationaal Orleans jonge duiven en ook op een jonge duivenvlucht vanuit Etampes een hele mooie uitslag maakte, waarbij begonnen werd met de eerste 3 prijzen in de club. Ook de 2 TT plaatsen in 2018 staan hem nog helder voor de geest net als meer recentere successen als afgelopen jaar het jonge duivenkampioenschap van zijn vereniging PV de Zilvermeeuw uit Nunspeet, een sterke club met landelijke bekende kampioenen. En in 2017 won Harm op de jaarlijkse scootervlucht de scooter in Kring 1. Harm over zijn resultaten; “Bij mij gaat het vooral om plezier aan de duivensport te beleven. Dit vind ik belangrijker dan het winnen van kampioenschappen. Natuurlijk dragen goede resultaten aan dit plezier bij, maar dat ik als kleine liefhebber, met een kleine accommodatie en met slechts 14 doffers en 14 duivinnen de afgelopen 5 jaar steeds tussen de kampioenen sta, vind ik al heel mooi. Gezond blijven is het allerbelangrijkste, dat is mij afgelopen jaar nog weer eens heel duidelijk gebleken. Toen de Corona me afgelopen voorjaar te pakken had, waren de duiven helemaal niet belangrijk meer. Maar nu ik er weer bovenop ben hoop ik nog een tijdje mooie uitslagen te kunnen blijven maken. En dat is niet gemakkelijk want er verandert veel in de duivensport. Om bij te blijven kun je het je niet permitteren om achterover te leunen.”

Harm loopt dus inmiddels 60 jaar in het duivenwereldje rond en heeft uiteraard veel gezien en gehoord. Ik sprak met hem o.a. over het boekje “Hoe bestrijdt men de beroepsduivenmelkers?” uit 1933. Hier worden onderwerpen in besproken die destijds, dus bijna 90 jaar geleden, actueel waren en het nu nog steeds zijn. Ook toen al was er de ongelijke strijd van professionele duivensporters met de beste duiven, grote hokken en hokverzorgers in dienst tegen de amateurs met (zeer) beperkte middelen. In die zin is er niet veel veranderd, alleen werden destijds in België liefhebbers die te sterk overheersten, niet zelden uitgesloten van deelname. Gelukkig zijn zulke drastische ingrepen hier niet mogelijk. Maar ook nu heb je de eeuwige discussies over eerlijk spel, inkorfbeperking, enz. Ik vroeg Harm hoe hij hier tegenaan kijkt. “Verschillen zijn er inderdaad altijd geweest en zullen er ook altijd blijven. Maar ik zie wel dat in bepaalde gebieden de verschillen wel steeds groter worden. Dat de kloof tussen amateur en prof of semiprof zo groot geworden is, vind ik wel een zorgelijke ontwikkeling. Een aparte amateurklasse zie ik om meerdere redenen niet als oplossing, maar wat dan wel? Alleen saamhorigheid kan de duivensport nog redden. Het is nu veel te veel ikke, ikke. Er moet nu nagedacht worden hoe we de verenigingen in stand kunnen houden. We moeten echt meer openstaan voor elkaar. De saamhorigheid brokkelt nu steeds verder af. Dit proces moet gestopt worden. Het afgelopen jaar was al een voorproefje van hoe de toekomst van de duivensport er uit zou kunnen gaan zien. Er is dan geen of nauwelijks nog verenigingsleven. Dat zal tot gevolg hebben dat vooral de amateurs/hobbyisten af zullen haken. Daarnaast zie je in diverse verenigingen het fenomeen dat het werk veelal wordt gedaan door de liefhebbers die elke week op de 2e helft van de uitslag staan. Juist voor die mensen is het sociale gebeuren in de club zo belangrijk. Als dat verdwijnt, stoppen deze mensen veelal ook. En hoe dan verder? Het verschil met de zestiger tot en met de negentiger jaren is dat er toen ook specialisten waren, maar hun overwicht was minder groot dan nu. Toen stonden de vluchten veel langer open wat dus meer spanning genereerde, er werd veel gepould en er waren mooie prijzen te verdienen. Een simpele liefhebber die het duiven melken goed in de vingers had, kon destijds uitblinken en wat verdienen. Nu heb je veel meer specialisten die de concoursen volledig oprollen.”

Hetgeen Harm aangeeft ten aanzien van het verloren gaan van de saamhorigheid in veel verenigingen is het gevolg van de toenemende mate van individualisering en competitiedrift in de maatschappij. Uit diverse sociologische onderzoeken blijkt dat in een competitie waarin maar één persoon kan winnen en dat de ander sowieso verliest, dit de natuurlijke verbondenheid tussen mensen ondergraaft. Dit verschijnsel zien we dus helaas ook steeds meer in de duivensport. Dat het tij gekeerd kan worden door meer samen te doen en voor elkaar over te hebben, zoals Harm aangeeft is duidelijk.

Ik vroeg Harm welke verschillen hij nog meer ziet ten opzichte van de duivensport van zeg maar zo’n 50 jaar geleden. “De concoursen duren tegenwoordig veel korter, mede als gevolg van het feit dat er betere duiven worden gekweekt, de vooruitgang van de medische wetenschap en meer in duiven gespecialiseerde dierenartsen, de ontwikkelingen op het gebied van voeding en supplementen en er waren vroeger veel minder verliezen van jonge duiven. Voor wat het laatste betreft moet ik zeggen dat ik zelf niet zulke grote verliezen ken als dat ik elders lees en hoor. Door streng op gezondheid te selecteren (er zijn overigens meer ziektes dan vroeger) en alleen uit je beste duiven te kweken kun je de verliezen volgens mij wel flink beperken. En ook door bij kinderziektes niet meteen naar de medicijnpot te grijpen. Maar er zijn natuurlijk ook oorzaken waar we geen grip op hebben zoals luchtvervuiling en de elektromagnetische straling. En wat te denken van het toenemend aantal roofvogels? Ook zullen kruislossingen wel een rol spelen.”

Tot slot nog een aantal vragen.

Je hebt een groot aantal verschillen genoemd tussen de duivensport en duivensportbeleving van vroeger en nu. Zie je ook overeenkomsten?

Ja zeker. Net als tegenwoordig waren er vroeger ook duivenliefhebbers die na een slechte vlucht ’s maandags bij de dierenarts zaten. Een ook vroeger waren er vluchten die slecht verliepen. En ook toen waren er liefhebbers die meenden dat het geheim voor goed presteren in potjes en flesjes zat.

Om even terug te komen op geheimen uit potjes en flesjes. In het eerder genoemde boekje uit 1933 lees ik dat er destijds al stoffen als bijvoorbeeld Strychnine en Arsenicum in de duivensport werden gebruikt. Ben jij daar in je duivenloopbaan wel eens mee geconfronteerd?

Doping is van alle tijden. Ik weet zeker dat er in vroegere jaren veel werd geëxperimenteerd met allerlei stimulerende middelen, maar alles gebeurde stiekem. Zo nu en dan hoorde je wel eens wat over het inspuiten van duiven, maar waarmee? Ik heb geen idee. Ik was hier ook nooit in geïnteresseerd. Er zullen vast stoffen zijn die een tijdelijke positieve invloed op de conditie van de duif hebben, maar ik ben er zeker van dat het gebruik hiervan op de langere duur nooit goed voor de duif kan zijn.

Men is tegenwoordig veel voorzichtiger met lossen dan vroeger lijkt het. Hoe kijk jij hier tegenaan?

Er is teveel kritiek op de commissies die lossingsadvies geven. Dat werkt die in mijn ogen te grote voorzichtigheid in de hand. Daarnaast wordt de duivensport door belangenpartijen voor dieren nauwlettend in de gaten gehouden, als gevolg waarvan er steeds meer regelgeving komt. Nog even en dan zijn er zoveel richtlijnen dat er helemaal niet meer gelost kan worden. Ik pleit voor iets meer gezond verstand en minder regelgeving.

Tot zover Harm Berghorst met zijn kijk op duivensport vroeger en nu.

 

 

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl