12 maart 2018

Pieter Eekhof – Joure / Eenvoud in de duivensport.4

Op mijn vorige column over dit onderwerp waarbij Ad van Herik (Gupke) uit Tilburg centraal stond, kreeg ik veel reacties. Zo gaf Marten Leegstra aan dat niemand anders dan jijzelf bepaalt hoe hoog je de lat legt. Hij gaf als boodschap mee aan de topsporters al dan niet commercieel, dat ze soms wel wat vaker naar hun collega duivenliefhebber die als amateur hobbymatig de duivensport beoefent, zouden kunnen omkijken. Dat schort er zo hier en daar wel aan. Als belangrijkste boodschap aan de hobbyspeler gaf hij mee, probeer vooral positief te blijven en te genieten. Lukt dit niet stop er dan mee in plaats van af te geven op de topsporters c.q. grote liefhebbers. Ook reageerde kapelaan Bert Breuer aan wie ik ook al eens een column wijdde. Hij geeft aan zich jarenlang sterk te hebben gemaakt voor eerlijkere concoursen en noemt de duivensport de meest oneerlijke sport die er bestaat. Bert wijst er verder op dat dit feitelijk al zo is vanaf het bestaan van de duivensport. In 1872 bijvoorbeeld wordt er door Postduiven Sociëteit de Korenbeurs een wedvlucht georganiseerd vanuit Laon. Buiten de elitaire leden mogen ook andere duivenliefhebbers meedoen. Zo is er meer eer te behalen en meer geld te verdienen. Je kunt wel raden welke liefhebbers er op deze ongelijke wedvluchten met de eer en het geld gingen strijken.

De liefhebber die in deze column centraal staat is de 61 jarige Piter Eekhof uit Joure die zo’n 53 jaar duiven heeft. Hij is dus als kind al in de duivensport gerold. Zijn opa en drie ooms hadden ook postduiven. Zijn opa was nog één van de oprichters van PV de Zwarte Doffer die in 1923 is opgericht. Net als Ad v.d. Herik is ook Pieter een liefhebber van de fond. En hier speelt hij al heel wat jaren niet onverdienstelijk op. Met een heel klein ploegje duiven slaagt hij er vrijwel jaarlijks in om zeer mooie uitslagen te maken. Afgelopen jaar stond hij zelfs als grootmeester van Perigueux in het Spoor der Kampioenen. Dit jaar was sowieso een goed duivenjaar voor Pieter. Terwijl velen klaagden over de zwaarte van de vluchten en veel duiven verspeelden, waren de duiven van Pieter in hun element. Dit resulteerde in het 1e onaangewezen en 2e aangewezen kampioenschap in het sterke NIC Noordwolde met concurrentie van o.a. Jellema Sr en Wim en Co Wittebol. In mijn vorige column schreef ik dat liefhebbers die op een eenvoudige manier duiven houden, op de wedvluchten doorgaans genoegen moeten nemen met de kruimels die de kampioenen overlaten. Pieter loochenstraft met zijn prestaties echter mijn woorden. Ik vind dat prachtig. Met zijn successen geeft hij immers aan dat het nog eenvoudig kan. En wat is dan eenvoudig volgens Pieter?

“Voor mij is de duivensport op de eerste plaats ontspanning, echt als hobby. Naast duiven heb ik nog meer hobby’s. Zo geef ik drie keer in de week voetbaltraining aan het meisjes en damesteam van SC Joure. Het sociale aspect en de omgang met de duiven staan bij mij voorop. Eenvoud in de verzorging betekent voor mij alleen voer, water en grit. Er worden geen bijproducten verstrekt en luxe hokken met klimaatbeheersing zijn ook niet aan mij besteed. Ik probeer heel dicht bij de natuur te blijven. Dat betekent ook dat ik op medisch gebied bijna niets doe. De verplichte enting tegen Paramyxo en 1 x per jaar een wormpil en verder niets. Ik maak ook nooit een drinkbak schoon. Onderweg in de natuur drinken de duiven immers ook wat ze kunnen vinden. Ook qua tijdsbesteding is er een groot verschil. De gedreven liefhebbers zijn er tijdens het vliegseizoen dag en nacht mee bezig en ik hooguit twee uur per dag en in de winter nog geen kwartiertje. Veel rijden met de duiven en gedwongen training doe ik dus ook niet. Daar zie ik het nut niet van in. Maar anderen die het wel doen zien er wel voordelen van. En dat is toch prima? Iedereen moet de vrijheid hebben om de duivensport op zijn eigen manier te beoefenen, zoals dat hij/zij denkt dat goed is. Ik maak overigens wel de hokken schoon als de duiven trainen, maar niet omdat ik vind dat het moet, maar meer uit gewoonte. Ik zoek het ook niet in veel duiven. Ik heb geen kwekers en in totaal 22 vliegkoppels, waarvan ik alleen de doffers speel.  Met de duivinnen wordt niet gevlogen. Dus ouderwets weduwschap met doffers.”

Uit het bovenstaande zullen de liefhebbers die Piter Beerda gekend hebben waarschijnlijk grote overeenkomsten zien in de manier van verzorging. Het zal waarschijnlijk dan geen verrassing zijn, dat Pieter zijn hokbestand voor ruim 75 % uit Beerda’s bestaat. Deze zijn afkomstig van Sjaak Gerbens en Siemen Luinenburg (Duivenluis). De rest van de duiven zijn afstammelingen van de duiven van zijn ooms en opa, nazaten van duiven die op een bonnetje verkregen zijn of geruild met sportvrienden als Koos Dijkstra, Harry Hoekstra en Hans Bos. Ook in deze duiven zit veelal nog een flink percentage Beerda.

Ik vroeg Pieter hoe hij aankijkt tegen de professionalisering van de duivensport. En of de strijd van amateur tegen de z.g. prof volgens hem nog wel mogelijk is, of zou in de duivensport net als in het voetbal een onderscheid moeten komen tussen amateurs/hobbyisten en een prof/sportklasse? “Ik denk zeker wel dat het mogelijk is om als amateur/hobbyist de prof te verslaan. Duivensport is niet eerlijk en zal het ook niet worden. Denk daarbij ook aan ligging, windrichting en afstand. Maar gelukkig zijn er altijd verrassingen. Ik ben ook absoluut geen voorstander van inkorfbeperking. Natuurlijk heeft een grotere inkorver meer kans op een vroege duif, maar het zij zo. Ik korf zelf vaak maar 2 of 3 duiven in en weet toch regelmatig een vroege duif te klokken. En een verdeling in amateurs en profs zoals in het voetbal zie ik niet zitten. Er zijn steeds minder duivenliefhebbers en deze dan ook nog op te splitsen lijkt me geen goed plan. Het is inderdaad zo dat er liefhebbers zijn die enorm domineren. Dat speelt vooral in kleinere clubs met veel hobbyisten en slechts één of enkele zeer gedreven melkers die er alles voor over hebben om te winnen. Hier is m.i. niets tegen te doen.”

Tot slot nog enkele vragen

Wat is je mooiste resultaat tot nu toe?

De diverse Teletekstnoteringen zie ik als mijn beste resultaten, maar elke keer als ik een duif thuis krijg van Barcelona ervaar ik dat ook als een heel speciaal en mooi moment. Ik denk daarbij dan ook altijd aan de verhalen van mijn opa die nog op Milaan heeft gespeeld en dan zeer trots was als hij na een week een duif thuis kreeg.

Wat is volgens jou de reden dat er nogal wat liefhebbers stoppen met de duivensport?

Enerzijds de leeftijd. De meeste liefhebbers zijn al wat ouder. En aan de andere kant speelt ook de tweedeling tussen amateurs en profs een rol. Zelf heb ik overigens nog nooit overwogen om te stoppen. Ik beleef er veel te veel plezier aan.

Wat kan de neerwaartse spiraal in de duivensport stoppen volgens jou?

Maak het in de basis, dus bij de vereniging gezellig. Zorg dat iedereen wat kan winnen. Ook is het belangrijk dat elke liefhebber op papier komt. De NPO zou meer moeten luisteren naar de liefhebbers. De bestuursleden van de NPO zouden vaker de provincies moeten ingaan en naar de mensen komen luisteren in plaats van dat de liefhebbers naar Papendal moeten komen.

Wat is je mooiste herinnering?

Heel speciaal zijn voor mij de herinneringen aan al die uren wachten met mijn Omke Pet (bijnaam) en naar zijn verhalen over vroeger luisteren. Bijvoorbeeld het verhaal over mijn tante die met de gummiring in haar mond naar de enige liefhebber in het dorp moest fietsen, totdat ze een keer met de fiets was gevallen en de ring had ingeslikt. Daarna mocht ze de gummiringen niet meer wegbrengen.”


8 februari 2019

Jan Broersma – Roodeschool / kweken.7

Net als Sije Pijl, de hoofdpersoon van mijn vorige column met als onderwerp kweken, komt ook de liefhebber die in deze column centraal staat, uit het hoge noorden. Het betreft Jan Broersma uit Roodeschool, een dorp dat bij veel liefhebbers ook bekend is als lossingsplaats. Ook nu nog worden er nog regelmatig attractievluchten gehouden vanaf dit in het uiterste noordoosten van ons land gelegen dorp, dat 100 jaar geleden zelfs nog deel uitmaakte van het officiële vliegprogramma van Brabantse clubs.

De 62 jarige Jan Broersma is voor velen geen onbekende in de duivensport. Hij slaagt er al jaren in om met een klein ploegje duiven grootse prestaties neer te zetten op de marathons. Zo ook afgelopen jaar op onder andere Dax. De afstand van Dax voor Jan zijn duiven bedraagt maar liefst 1222 km. Op deze vlucht had hij alle drie zijn duiven om 18.02 uur thuis, terwijl het loodzware nationale concours pas de volgende dag om 11.30 uur in Urk sluit. En Urk ligt nog ruim 100 km dichterbij. Dit soort uitslagen zijn voor Jan overigens geen uitzondering. Bijvoorbeeld op Bergerac in 2016 klokte Jan alle 8 zijn ingekorfde duiven al voordat het concours gesloten was. Jan heeft in zijn lange duivenloopbaan bijna alles wel gewonnen wat er te winnen valt. Alleen een nationale overwinning ontbreekt nog op het prestatielijstje. Om op een dergelijke afstand dit soort prestaties neer te zetten, moet je beschikken over een zeer sterk soort duiven. Die zijn niet dik gezaaid. Jan; “Het is moeilijk om duiven te vinden die onze afstanden aan kunnen, omdat het lang niet altijd zeker is dat een duif die 1000 km aan kan ook succesvol is op een St Vincent van 1235 km. Want als de tank leeg is na 1050 km houdt het op en zal de duif naar beneden moeten.”

Jan heeft zijn hele leven al duiven. “Bij het ouderlijk huis te Uithuizermeeden hadden we naast mijn sierduiven ook nog zangvogeltjes en konijnen. Dit waren Vlaamse reuzen en speciaal bestemd voor consumptie, want mijn ouders hadden heel wat monden te voeden aangezien ik uit een gezin kom van 14 kinderen. Omdat er eigenlijk geen geld was voor een hobby als de duivensport, heb ik samen met mijn jongere broer Jaap hokjes in elkaar gespijkerd van gratis afvalhout. Het voer kregen we via een oom die op een meelfabriek werkte. We mochten af en toe een emmer tarwe en gebroken mais ophalen wat bij de fabriek was gemorst. De eerste echte postduiven kregen we van een bij ons in de buurt wonende liefhebber (Rozenga). Deze duiven zagen we in tegenstelling tot onze pauwstaarten echt trainen rond zijn woning en dat wilden wij ook. Het ging al heel gauw vrij goed met de prestaties en in 1972 wonnen wij ons eerste bekertje dat ik nog altijd in mijn bezit heb. Vanaf 1980 wonen mijn vrouw Veronyka en ik in Roodeschool op een mooi plekje met een ruime tuin waar het goed toeven is voor de duiven. De duivensport werd vanaf die tijd serieuzer aangepakt. Naast een goed hok moesten er ook andere duiven komen. Deze kwamen van de landelijk bekende liefhebber J.Hillenga uit Delfzijl. Naast het goede soort kwam er van zijn kant ook ondersteuning van hoe te melken om successen te behalen. Veel kampioenschappen werden behaald en de successen stonden regelmatig in de N.P.Orgaan bij Nadoen en bij Wie Heeft Ze Beter. Hele goede duiven kwamen later ook van Tonnie van Dam, de vliegende veehandelaar uit Hattem. Geweldige duiven waren dit en dan met name de nazaten van zijn beroemde “Leo” lijn waren topduiven.”

Jan is zich pas vanaf 2002 op de grote fond gaan toeleggen. Nadat hij tijdens een landelijke prijsuitreiking kennis maakte met Koop en Gerda Kiekenbelt, beloofde deze Jan een paar jonge duiven voor de zware fond. En tijdens het voorjaar van 1998 werden deze door Koop en Gerda gebracht. Jan was die belofte toen eigenlijk al vergeten. “De eerste jaren maakte ik eigenlijk helemaal geen gebruik van de kwaliteiten van deze duiven, want ik speelde ze nooit verder dan op de programmavluchten. In 2002 echter speelde ik voor de aardigheid 2 duiven op St. Vincent en tot mijn grote verbazing speelde een van deze Kiekebelt duiven de 2e Nationaal Sector 4. Vanaf dat moment was ik verkocht voor deze discipline en ging ik me er steeds meer op toeleggen. Meerdere duiven van Koop kwamen naar Roodeschool en later kwamen daar ook duiven bij van de vermaarde Jan Corstjens uit Thorn en andermaal van Tonnie van Dam die inmiddels ook was overgestapt naar de grote fond. Met deze duiven ben ik goed geslaagd kun je wel zeggen en ook een rode doffer van het hok Glazenburg uit Winschoten gaf een kwaliteitsinjectie.”

Jan is er dus in geslaagd om met een beperkt aantal duiven in relatief korte tijd een stammetje op te bouwen waaruit elk jaar meerdere goede duiven worden gekweekt. En wanneer je dan beseft dat hij een kleine melker is die jaarlijks maar enkele tientallen jonge duiven kweekt, kun je geen andere conclusie trekken dan dat hij het kweken in de vingers moet hebben. Hoe gaat hij te werk vroeg ik hem. “Ik speel mijn duiven op nest en heb tot nu toe nog nooit meer dan 10 koppels meerjarige duiven op mijn hok gehad. Meestal zijn het er nog minder omdat ik er van overtuigd ben dat strenge selectie ontzettend belangrijk is om de kwaliteit op peil te houden. Het duivenbestand word gecompleteerd met een 6 tot 10 koppels jaarlingen en een 8 tal koppels kweekduiven. De meeste marathonvluchten speel ik met 2 tot 10 duiven. Als er op een van de laatste vluchten ook jaarlingen meegaan is dit aantal hoger natuurlijk. Op de marathonvluchten van 1100 kilometer of meer speel ik alleen maar enkele zeer ervaren duiven. Er zijn maar weinig duiven die deze afstanden met succes kunnen overbruggen. Van mijn succesvolle duiven probeer ik een stammetje te vormen en de ingeteelde exemplaren kruis ik dan met ander soort waarvan ik denk dat ze die afstanden ook aan kunnen. Alleen de duiven die bewijzen dat ze het waard zijn komen dan weer in aanmerking om in de stam te worden gebracht.”

Er gaan jaarlijks duizenden duiven door mijn handen en het valt mij daarbij op, dat bij de kampioenen zelden duiven op de kweek zitten die niet voldoen aan de eisen die ik aan een kweekduif stel. Echter bij liefhebbers die zelden of nooit op het podium staan zie ik daarentegen regelmatig duiven die het predicaat kweker mijn inziens niet verdienen. Dit betreft dan vrijwel altijd (duur) aangekochte duiven. Dus puur op stamboom gekocht. Soms zijn dit dan kinderen, kleinkinderen en broers of zusters van absolute topduiven. Recent nog kreeg ik twee zonen in handen van een zeer goede marathonduif, één van de betere overnachtduiven van de afgelopen jaren van ons land zelfs. De desbetreffende doffers waren moddervet, hadden een zwak frame en waren nauwelijks gespierd. Bij het in de hand nemen sperden ze hun bek ver open. Ik vroeg Jan of hij zulke duiven op zijn kweekhok zou plaatsen, daar het immers zonen waren van een beroemde topper. “Nee, absoluut niet. Ik kweek nooit uit duiven met echte tekortkomingen en ik moet zeggen dat ik nog nooit een hele goede marathonduif heb gezien met een ernstige tekortkoming.” Vervolgens vroeg ik hem welke duiven bij hem in aanmerking komen om van te kweken. Hierop kreeg ik een appje met een foto van mijn lijstje met de 10 punten die ik noem op mijn website onder het tabblad koppelen. Jan schreef daarbij met een smiley; “Op één of andere manier voldoe ik aan alle voorwaarden”. Dat is voor mij erg leuk om te lezen natuurlijk, maar ik wilde toch graag nog wat meer uitleg van Jan.

“Er wordt alleen gekweekt uit de beste kwekers en de beste vliegers. Deze worden gericht gekoppeld waarbij het uitgangspunt is heel goed x heel goed, omdat dit een aanzienlijk grotere kans geeft op bruikbare duiven. En het liefst zet ik duiven bij elkaar die dan ook nog aan elkaar verwant zijn. De kwekers zijn mijn betere ex-vliegers maar soms ook aangeschafte duiven die ik op de kweek een aantal jaren de kans geef iets goeds op de wereld te zetten. Deze moeten binnen een paar jaar wel bruikbare duiven geven, anders verdwijnen ze ook weer. Natuurlijk wordt er ook wel eens een koppel bij elkaar gezet die nog weinig hebben kunnen laten zien, maar waarvan ik het gevoel heb dat het supers zijn. En je moet soms ook wat geluk hebben om een super te kweken. Zo is mijn “Figo koppel” waaruit al meerdere teletekstduiven zijn geboren, stom toevallig gevormd. De doffer en de duivin van dit koppel waren als laat jong op het kweekhok blijven zitten omdat de liefhebber die ze had besteld niet op kwam dagen. Ze waren al te oud om ze los te laten en ik heb ze later eerst maar gepaard om te dienen als voedsterkoppel. Op een zeker moment heb ik toch maar wat jongen van hen laten lopen met het bekende resultaat.”

“Van mijn beste kweekkoppels worden de eerste jongen door mijn jaarlingen groot gebracht, zodat ik van de betere koppels vlak na elkaar 4 jongen heb. Ik koppel mijn duiven vaak op gevoel en dan is het wel zo dat ik nooit twee grote bij elkaar zet omdat ik van mening ben dat de meeste goede marathon duiven wat kleiner zijn dan gemiddeld en ze moeten een hele beste pluim hebben en evenwichtig gebouwd zijn. Ook heel belangrijk voor een goede duif vind ik dat ze van weinig voer niet mager worden want deze zullen nooit 15 tot 20 uren kunnen vliegen. Naar de kleur ogen kijk ik eigenlijk niet. Wel vind ik belangrijk dat de duiven een soort van intelligentie moeten uitstralen en een kleine pupil moeten hebben als de zon er op staat. Het is wel zo dat ik er van overtuigd ben dat des te meer kampioensduiven er in de stamboom zitten de kansen toenemen op goede nazaten en dan bedoel ik wel ouders, grootouders en overgroot ouders en niet dat de eerste goede duif pas te vinden is in 4 generaties geleden.”

Uit het bovenstaande blijkt dat Jan weloverwogen te werk gaat en zo min mogelijk aan het toeval wil overlaten. Als het toeval hem dan toevallig een handje helpt zoals met het Figo koppel, is dat mooi meegenomen. Ik vroeg Jan hoe hij aan zijn kennis komt en of hij veel gelezen heeft. “Ik heb wel één en ander opgestoken uit de boeken van Piet de Weerd, hoewel ik op zich niet veel boeken over het kweken van duiven heb gelezen. Het is me te theoretisch allemaal. SELEKTIE is het allerbelangrijkste. Spelen en nog eens spelen, zodat de beste over blijven waarna deze in familieband tegen elkaar worden gezet. Deze ingeteelde duiven dan weer kruisen op niveau.” Desgevraagd geeft Jan aan dat de mand wel het laatste woord heeft voor wat de selectie betreft, maar dat hij bij de selectie en de keuze van zijn kweekduiven, toch ook wel let op uiterlijke kenmerken en dan vooral op de spieren. “De spieren van de duiven vind ik uitermate belangrijk als kwaliteitseis van de marathonduif. Zonder goede soepele spieren die als een ballon op kunnen zwellen als ze in vorm zijn, kunnen ze nooit 1200 km overbruggen met tegenwind. Dit is de belangrijkste eis zoals ook Piet de Weerd altijd verkondigde in zijn zeer leerzame boeken.”

Tot slot nog enkele vragen:

Wat doe je aan medische begeleiding?

Niet zo veel. De natuurlijke weerstand van de marathonduif vind ik namelijk zeer belangrijk. Veel liefhebbers geven de duiven veel te veel antibiotica om ze gezond te houden. Dat gaat dan van kwaad tot erger en op een zeker moment zitten ze opgescheept met duiven die ontzettend vatbaar zijn voor van alles en nog wat. Die duiven zullen steeds meer antibiotica nodig hebben om gezond te blijven. Op een zeker moment helpt niets meer en dan is het over en uit. Ik ben ervan overtuigd dat er steeds meer ziektes onder de duiven zullen ontstaan door dit veelvuldig gebruik van antibiotica. Zelf maak ik ter ondersteuning van de natuurlijke weerstand van de duif alleen gebruik van Backs Balance en TKK van de firma Backs. Dat is ontwikkeld door Albert Hiemstra en hier ben ik zeer tevreden over.

Hoe bereid jij je duiven voor op de kweek?

Mijn duiven bereid ik niet heel speciaal voor op de kweekperiode. Ze worden in de winter wel schraal gevoerd en in aanloop naar de koppeldatum wordt er iets kweekvoer aan de mengeling toegevoegd. Bijlichten doe ik niet, want ik koppel de duiven pas in maart en het voorjaarsweer zorgt er dan voor dat ze er klaar voor zijn. Ik koppel altijd zo laat om het doodsimpele feit dat ik er in de wintermaanden gewoon geen zin in heb om met de kou in het duivenhok te zijn. Ze krijgen in de winter gewoon 1 x per dag voer en water en daar moeten ze het mee doen. Ik geloof in het schraal houden in de winter en opbloeien in de zomer. Mijn duiven brengen hun jongen groot op de kweekmengeling van Matador, goed grit en een bak allerhande van verschillende merken.


14 januari 2019

Kleis Jan Rauwerda – Hallum / Beginners.10 (slot)

Dit is mijn 10e en tevens laatste column over beginners in de duivensport. In de afgelopen 10 jaar dat ik actief ben als de-duivencoach.nl hebben tientallen beginners mijn pad gekruist. De meeste van hun ervaringen zijn verwerkt in de 9 voorgaande columns over dit onderwerp. Een steeds terugkerend gespreksonderwerp met beginners is het vakjargon van de duivensport. Ook krijg ik hier dikwijls vragen over per mail, chats via Facebook en WhatsApp. Ik heb inmiddels de meeste termen die vragen oproepen op een rijtje gezet. Zo gauw ik daar wat tijd voor kan vrijmaken, zal ik dit document uitwerken en op mijn website plaatsen.

In deze laatste column kijk ik terug naar de rode draad in die columns en dat doe ik deze keer samen met de 58 jarige Kleis Jan Rauwerda uit Hallum. Kleis Jan had gedurende zijn kinderjaren een korte periode een paar sier- en postduiven, maar heeft verder zijn hele leven nooit meer iets met duiven gehad. Totdat hij een paar jaar geleden via zijn werk in contact kwam met Chris Beckers uit Lelystad. Deze sprak zo enthousiast over de postduivensport, dat  al na een paar gesprekken zijn interesse was gewekt. De duivensport leek Kleis Jan wel een geschikt tijdverdrijf  voor als hij met pensioen zal gaan en zodoende besloot hij om met postduiven te beginnen. Eerst werd naar een hok gezocht, dat in de zomer van 2017 in Brabant werd gevonden, bij een oude liefhebber die met de duivensport stopte vanwege gezondheidsproblemen. Hij mocht het gratis hebben als hij het zelf zou slopen. “Het hok was 6 x 2 meter en na een dag hard werken met mijn twee zonen lag het op de tandemasser, behalve de vloer want dan zou de vracht te zwaar worden. Bij het afscheid gaf de liefhebber ook nog zijn mega systeem, manden, voerbakken en broedschalen gratis mee. Van Chris Beckers kreeg ik 20 late jongen. Helaas kreeg ik na een paar weken een ziekte op het hok waaraan verschillende jonge duiven stierven. Met de overgebleven 10 jongen, aangevuld met nog een paar via internet aangekochte duiven ben ik in 2018 gaan kweken en heb ik met de jongen op de navlucht meegespeeld. Inmiddels heb ik 60 duiven op het hok. Ik ga me toeleggen op de grotere afstanden. Dat ik daarvoor landelijk niet al te gunstig lig in het noorden van het land tegen de Waddenkust, realiseer ik me ook.”

In mijn eerste column over beginners vertelde Henri Akkerman dat hij de duivensport erg gecompliceerd vond. Henri was redelijk succesvol geweest met het fokken van sierduiven, waarbij het vooral om uiterlijke kenmerken gaat. Bij postduiven komt echter wel wat meer voor kijken. Ook Anno Sportel uit column 8 gaf aan het erg moeilijk te vinden om een goede kweek- of vliegduif te herkennen. Voor Henri was dit uiteindelijk één van de redenen waarom hij na een paar jaar de duivensport vaarwel heeft gezegd. Kleis geeft desgevraagd aan dat hij dit ook moeilijk vindt, maar dat hij veel geduld heeft. Succes hoeft voor hem niet heel snel te komen. “Ik vind het beoordelen en selecteren ook moeilijk. Vandaar dat ik Nico (de-duivencoach.nl) gevraagd heb dit te doen en mij tevens te wijzen waarop ik kan letten. Je zult geduld moeten kunnen opbrengen en goed moeten kunnen selecteren, wil je elk jaar iets beter worden. Daar ben ik me goed van bewust en geduld heb ik wel. Daarnaast heb ik altijd tijd te kort, maar voor de duiven maak ik tijd. Het is ook een stukje ontspanning na een drukke dag. Ik kan me echter goed vinden in wat Frank van de Dragt in column 6 zegt; dat het tekort aan tijd een belemmering is om met de top mee kunnen draaien. Dat geldt voor mij ook. Ik ben ’s morgens zeer vroeg van huis en ben ook ’s avonds niet echt vroeg thuis. Ik heb geen hulp bij de duiven. Af en toe laat mijn zoon de duiven los, maar dat is het. Mijn vrouw gunt mij mijn hobby maar vindt deze wel erg tijdrovend. Ik stel mijn doelen de eerste tijd dan ook beslist niet te hoog. Ik wil eerst proberen om in de club een beetje mee te komen. Ik heb nog een paar jaar te gaan voor mijn pensioen en dan heb ik voldoende tijd om de puntjes op de i te zetten. Vooralsnog geniet ik vooral ook van de gezelligheid en saamhorigheid in de club.”

Het aspect te kort aan tijd om het echt goed aan te kunnen pakken, wanneer je nog volop in het arbeidsproces zit en daarnaast nog een gezin hebt, werd ook door Harmen Faber (column 4) en Huib Akster (column 3) genoemd. Huib gaf daarbij tevens aan de duivensport een dure sport te vinden. Hoe kijkt Kleis hier tegenaan? “Ik denk dat je het net zo duur kunt maken als je zelf wilt. Je bent baas over je eigen beurs/geld. In plaats van wat ik heb gedaan met dat oude gratis hok op te halen, had ik ook een nieuw hok kunnen laten plaatsen. Of ik had in plaats van met de gekregen duiven van Chris te starten, een aantal bewezen, dus dure duiven kunnen kopen. Maar ik heb gekozen voor langzaam opbouwen en uitbreiden . Om goede duiven in je bezit te krijgen, hoef je niet altijd veel geld uit te geven. Ik denk dat je met een bonnetje van een paar tientjes ook mazzel kunt hebben. Bovendien worden er uit heel veel goede en dure duiven ook slechten gekweekt. Ik heb het geluk dat ik goede duiven van Chris heb gekregen , maar ik heb ook wel wat bij gekocht . Maar deze bleken kwalitatief een stuk minder dan die ik van Chris had gehad. Hier waren gelukkig geen grote bedragen mee gemoeid, maar het was voor mij wel een goede waarschuwing om zeer voorzichtig met het aanschaffen van duiven te zijn.”

Uit het voorgaande blijkt dus dat tijd en geld belangrijke aspecten zijn die een obstakel kunnen vormen voor een beginner. Een ander aspect wat onder andere door Jelle Roskam in column 3 wordt benoemd, is wat deze noemt “het fanatiek ermee bezig zijn”. Hier snijdt hij een enorm belangrijk onderwerp aan waarmee succes valt of staat in mijn ogen. Ik noem dat de gedrevenheid en wil om te winnen. Als ik terugkijk naar de afgelopen 10 jaar waarin ik honderden liefhebbers heb getracht te coachen, zie ik bij de meesten in het begin een enorme gedrevenheid. Echter na verloop van tijd ebt die gedrevenheid weer weg en laat men weer steekjes vallen. Ik vroeg Kleis hoe hij zijn duiventoekomst ziet en of hij niet bang is dat het hem hetzelfde zal vergaan als de successen achter blijven. “Zoals al eerder gezegd. Ik heb veel geduld en kom niet onbeslagen ten ijs. Ik ben leergierig, hou ogen en oren goed open. Ik heb een aantal oude boeken waar ik veel informatie uit heb gehaald, en daarnaast raadpleeg ik de rubriek “Vraag het aan Martijn op Duivenmarktplaats”. Verder heb ik in mijn directe omgeving inmiddels een aantal mensen die hun sporen in de duivensport verdiend hebben, waar ik met mijn vragen terecht kan zoals mijn oude buurman Hofman hier in het dorp, clubgenoten als bijvoorbeeld Ronnie Leusink en natuurlijk Chris Beckers. En met daarbij de duiven van Chris die een zeer goede kweekstal heeft en de coaching plus adviezen van Nico (de-duivencoach.nl) moet ik toch een heel eind kunnen komen. Maar nogmaals ik heb geduld en ga niet over één nacht ijs.”

Een aspect dat door beginners ook veel genoemd wordt is het aspect ziekte. Het niet (op tijd) kunnen zien wat er aan hun duiven mankeert en deze vaardigheid in de vingers krijgen. Marc Flap (column 5) en Jeroen Kluinhaar (column 7) vonden dit het allerlastigste. Ik vroeg Kleis of hij dit ook zo ervaart. “Ik denk dat ik het vrij snel zie als er wat aan mankeert, omdat ik al 25 jaar kippen heb. Ik gebruik zo min mogelijk medicijnen. Als er een duif niet goed bijzit haal ik die er direct tussen uit. Ik zie het een paar dagen aan en als ze niet snel uit zichzelf opknappen dan is het einde verhaal.”  

Tot zover Kleis als laatste beginner in de reeks van 10 columns/minireportages over beginners in de duivensport. In zijn antwoorden op mijn vragen en de nuchtere manier waarop hij de duivensport beantwoord, zie ik grote overeenkomsten met Frank v.d. Dragt en Rob Noordegraaf. Beiden hebben zich inmiddels als succesvol postduivenliefhebber ontwikkeld. Ik zou het erg mooi vinden als Kleis hun voorbeeld zal volgen.

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl