12 mei 2019

Harrie Meijners – Veenwouden / Toekomst van de duivensport.7

Na in de vorige columns over het onderwerp “toekomst van duivensport” vooral stil te hebben gestaan bij zaken die het voortbestaan van de duivensport bedreigen, wil ik met de hoofdpersoon van deze alweer 7e column over dit onderwerp, ook kijken naar mogelijke oplossingsrichtingen. Deze keer betreft het iemand die een bestuurlijke achtergrond in de duivensport heeft, namelijk de 65 jarige Harrie Meijners uit Veenwouden. Harrie heeft inmiddels zo’n kleine 30 jaar postduiven en kan terugkijken op een aantal mooie successen als een tiental Teletekstvermeldingen. Zijn mooiste prestatie vindt hijzelf de 8e plaats onaangewezen meerdaagse fond van sector 4 in 2009. “Het was vooral een heel bijzonder seizoen omdat ik in dat jaar helaas veel goede duiven ben kwijtgeraakt aan de havik en bij een aantal vluchten noodgedwongen met succes maar één duif heb ingekorfd. Dat maakt zo’n klassering nog specialer.” En zoals gezegd heeft Harrie diverse bestuursfuncties in de duivensport bekleed. Zowel in zijn vereniging, als in het rayon, afdeling (Friesland), de Friese Fondclub en in de NPO was hij actief. Tevens heeft Harrie zitting gehad in het tucht en geschillencollege van afdeling 10/11. Momenteel heeft hij geen bestuursfuncties meer, maar voor de NPO verricht hij nog wel coördinerende werkzaamheden t.b.v. de centrale opvanghokken. Een veelzijdig man dus met een brede kijk op de duivensport.

De juiste man om de vraag voor te leggen of hij nog een toekomst ziet voor de duivensport. “Ja zeker is er een toekomst voor de duivensport, ondanks de huidige situatie waarbij momenteel sprake is van een jaarlijks verlies van 5 % van het ledenbestand. Als we zien naar de gemiddelde leeftijd van de leden, dan is dit een logisch gevolg. Het klinkt raar, maar door dit gegeven kun je ook niet verwachten dat er veel behoefte is aan noodzakelijke vernieuwingen. Er zijn veel leden, incl. bestuurders welke redeneren; 'het dient mijn tijd wel uit'. Veranderingen doen altijd pijn en gaan gepaard met veel emotioneel gekrakeel. Voor het traject GPS 2021 is tot nog toe niet iedereen enthousiast geraakt. Wel zien we dat niemand de noodzakelijke ontwikkelingen stop wil zetten. Een evaluatie, gevolgd door eventuele bijstellingen, zullen hopelijk door bestuurders worden opgepakt. Tot nog toe zijn er veel toeschouwers en ontbreekt het veelal aan initiatieven van onderaf, de basis. Ik ben van mening dat er hulp van buitenaf noodzakelijk is. Zowel in kwantiteit als kwaliteit is het huidige kader in onze sport onvoldoende uitgerust om adequaat beleid ten uitvoer te brengen. Scholing is hierin m.i. een belangrijk thema.”

Op mijn vorige column over dit onderwerp kwamen nogal wat reacties binnen. Zo gaf Marten Leegstra aan dat wat hem betreft er op het gebied van het transport nog wel wat verbeteringen nodig zijn. Daarmee snijdt hij een punt aan dat gelukkig steeds meer aandacht lijkt te krijgen. Henk Slot heeft hier in de column van 8 april zijn zegje over gedaan en als je hem hoort worden er ook op dat gebied stappen vooruit gezet. Wat de NPO in GPS 2021 m.b.t. vervoer voor ogen heeft is mij nog niet duidelijk, maar dat het de aandacht heeft wel. Hoe kijkt Harrie hier tegenaan? “Het vervoer en alles wat hier mee te maken heeft, is en blijft een gevoelig onderwerp. In een aantal afdelingen is het vervoer ‘leidend’ en heeft men eigen materiaal en personeel in loondienst. Door deze financiële perikelen bepaald het vervoer het beleid van de afdeling. Persoonlijk heb ik mij altijd verbaasd over de materiële kwaliteitsverschillen tussen de afdelingen. Er zijn afdelingen die het vervoer up to date hebben en hierin steeds hebben geïnvesteerd. Dit in het kader van dierenwelzijn, terwijl er ook een aantal afdelingen zijn waarbij dit niet het geval is. En zo vindt onder verschillende omstandigheden de wedstrijd – duivensport plaats. Onder leiding van Albert Jan de Jong wordt nu gewerkt aan gezamenlijke coördinatie van het vervoer en kwaliteitsverbetering is de belangrijkste pijler voor dit initiatief. Duidelijk is dat men zeer voorzichtig opereert ten aanzien van een vervoerscollectief, waarbij je uiteindelijk komt tot een gezamenlijk resultaat met enorme financiële voordelen. Hopelijk zullen in de nabije toekomst de nodige resultaten worden bereikt en daarbij is het vergroten van de kwaliteit een prima middel voor onze PR in het kader van dierenwelzijn.

In eerdere columns werd o.a. door Tony Berlijn aangegeven dat de duivensport te weinig positief in het nieuws is. In de contouren voor GPS2021 wordt dit aspect ook benoemd. Imagoverbetering om de sport toekomstbestendig te maken is één van de speerpunten. Concrete plannen liggen er nog niet. Mijn inziens zou er door de NPO gericht op communicatie moeten worden ingestoken, zowel naar hun eigen leden als naar de buitenwereld. Op dit punt is Harrie het zeker met me eens. “Op het NPO bureau is deze functie niet ingevuld, wel wordt er incidenteel gebruik gemaakt van een communicatie bureau en neemt de voorzitter (Maurice van der Kruk) veel van deze taken op zich. Maar helaas is het waarneembaar dat de communicatie rondom GPS 2021 onvoldoende is. De communicatie is dan ook een bespreekpunt voor de evaluatie. Gezien de commotie die er af en toe ontstaat in dit traject hoop ik dan ook dat deze evaluatie op korte termijn gaat plaats vinden.”  

Het is algemeen bekend dat er nog nauwelijks nieuwe postduivenliefhebbers bijkomen. Toch ben ik er van overtuigd dat er veel interesse is voor onze sport en dat er genoeg kandidaat liefhebbers zijn. Maar hoe bereik je die mensen? Harrie; “Zelf ben ik door een collega op mijn werk in aanraking met de duivensport gekomen. ’s Maandags bij de koffie werden enthousiast de resultaten van het weekend verteld en dit wekte mijn nieuwsgierigheid. Je hebt dus ambassadeurs nodig die de sport positief naar buiten uitdragen. Maar de meeste verenigingen zijn als het ware clubs van 'ouden van dagen' en zijn alleen maar gefixeerd op het eigen hoofd boven water te houden. En daarbij is de gemiddelde leeftijd inmiddels gestegen tot boven de 65 jaar. Wil je de sport behouden en dat geldt voor iedere vereniging in de sport, zal je doorlopend moeten innoveren. In de meeste verenigingen gebeurt momenteel heel weinig tot niets om er voor te zorgen dat er nieuwe aanwas bij komt. Omdat de gemiddelde duivensporter een ‘einzelgänger’ is, zou ik er voor kiezen om met externe deskundigheid verschillende doelgroepen aan te boren en in de uitvoering een keuze te maken met behulp van een onderwijsinstelling. Dus eerst innoveren met daarbij ook de opzet van andere vormen van lidmaatschap en je vervolgens richten op diverse en nieuwe doelgroepen. Het NPO moet dit uiteraard faciliteren.”

Organisaties als de dierenbescherming en een politieke partij als Partij voor de Dieren vinden dat de duivensport niet meer thuis hoort in onze huidige maatschappij. Met regelmaat besteed de pers gevoed door zulke partijen aandacht aan zogenaamde rampvluchten en worden er zelfs Kamervragen gesteld. Zo stelde de Groninger fractie van de Partij voor de Dieren recent nog dat er een einde moet komen aan het loslaten van duiven op Bevrijdingsdag. Om dit soort partijen de mond te snoeren zal er mijn inziens een fors tegengeluid moeten komen vanuit de NPO. Harrie deelt mijn mening in deze; “Het blijkt inmiddels dat meerdere politieke partijen (de zgn. populistische) in hun partijprogramma wedstrijdsport voor dieren willen verbieden. Als duivensport organisatie zullen wij moeten doorgaan met het aanbrengen van imago verbeteringen en aan de buitenwereld laten zien wat wij allemaal doen ten behoeve van het welzijn van onze duiven. Mijn ervaring is dat veel partijen helemaal niet goed zijn geïnformeerd. Als organisatie zullen wij mankracht moeten gaan inzetten om er voor te zorgen dat we invloed krijgen binnen de politieke netwerken.”

In de vorige column over dit onderwerp gaf Tiemen van Velde aan dat hij de toegenomen roofvogelstand als grootste bedreiging van de duivensport ervaart. Daarin staat hij niet alleen. In bepaalde gebieden is het inmiddels vrijwel onmogelijk om nog met duiven te spelen omdat er dagelijks wel een duif wordt gepakt. Op Facebook zie je regelmatig foto’s van aangevreten en dode duiven met daarbij een oproep aan de NPO om daar iets aan te doen. Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. De invloed van een duivensportbond wordt mijn inziens schromelijk overschat. Ik vroeg Harrie hoe hij hierover denkt. “Naast de bestaande registratie en het publiceren hiervan is het van belang om o.a. met overheidsinstanties in gesprek te gaan met het doel om het aantal roofvogelkasten te reduceren en vooral te reguleren. Verder is het van belang om via goede voorlichting de schade aan onze duiven weten te beperken.”  

Tot slot vroeg ik Harrie of hij nog ideeën heeft die er toe kunnen bijdragen dat de duivensport behouden blijft. “Allereerst zou ik er voor willen pleiten om als duivensport-bond uit te gaan van je eigen sterke punten en in ieder geval de huidige situatie niet te accepteren. Alle andere sportbonden moeten tevens alle zeilen bijzetten om er voor te zorgen dat er nieuwe aanwas ontstaat. Dat geldt dus ook voor ons als duivensport. Verder moeten we tevens de samenwerking zoeken met andere vergelijkbare organisaties. Dit vanuit kostenbeheersing en het gebruik maken van gezamenlijke expertise. Verder zal er beter moeten worden ingespeeld op nieuwe wetenschappelijke inzichten en meer gebruik moeten worden gemaakt van nieuwe kennis en technieken. Ik ben tevens van mening dat via een totaal vernieuwde opzet van het NPO bureau de leden v.d. verenigingen daadwerkelijk ondersteund dienen te worden. Het bureau kan via een inleenfunctie gebruik maken van alle deskundigheid die nu al aanwezig is van andere sportbonden op Papendal. Volgens mij liggen er voldoende plannen tot verbetering op de plank, alleen stokt het bij de uiteindelijke uitvoering.”

Tot zover Harrie Meijners, die nog veel meer heeft gezegd over zijn visie op duivensport in de toekomst. In een volgende column over dit onderwerp zal ik hiervan nog e.e.a. meenemen.


8 april 2019

Henk Slot - Gramsbergen / Postduivenvervoer

Een onderwerp dat nog niet voorbij is gekomen in mijn columns is postduivenvervoer. Over dit onderwerp zijn wel een aantal columns te vullen. Voor deze eerste column start ik met een chauffeur en tevens convoyeur van een “duivenwagen”. Het betreft de 44 jarige Henk Slot uit Gramsbergen. Henk is als zesjarige jongen in de duivensport gerold. Zijn vader was een collega van de vader van de bekende gebroeders Leideman. Deze bezorgden de kleine Henk een paar jonge duiven waarmee hij als jeugdlid bij de Snelle Wieken in Hardenberg van start ging. Met hulp van zijn vader maar ook van de gebroeders Leideman werden er vervolgens mooie successen behaald. Toen Henk ouder werd en ging werken als internationaal vrachtwagenchauffeur, heeft hij een lange tijd samen met zijn vader gedaan, omdat hij zelf vaak langdurig van huis was en de duiven niet kon verzorgen. Vanaf 2010 staat er bij zijn eigen huis in Gramsbergen een eigen duivenhok en vliegt hij weer onder zijn eigen naam. En Henk kan over de afgelopen jaren terugkijken op een aantal mooie successen. “Ondanks dat ik de duiven vooral in het vliegseizoen geen perfecte verzorging kan geven, omdat ik te veel weg ben in verband met mijn werk, behaal ik elk jaar wel mooie resultaten. Mijn mooiste resultaat was in 2014 op een vlucht vanuit Meer. In het toenmalige rayon 10 van afdeling 10 begon ik met de 1e, 2e, 6e, 7e en 8e  plaats van 2019 duiven. En dat in een rayon met hele sterke tegenstanders als Gerard Koopman en Gebroeders Leideman. Hier ben ik heel trots op, ook omdat ik maar een kleine liefhebber ben en relatief weinig duiven inkorf.”

Het onderwerp van deze column is postduiventransport. Hier kan Henk wel iets over vertellen. Sinds 2017 is hij namelijk chauffeur/convoyeur op een duivenwagen van afdeling 10. “Een paar jaar geleden werd ik gevraagd om mee te gaan op de vrachtwagen om duiven te vervoeren. Ik wees dat toen af omdat ik mijn duiven graag thuis wilde zien komen. Maar toen het vervoer door Van Regteren werd overgenomen werd ik opnieuw benaderd om chauffeur te worden op de duivenauto en een week later begon mijn eerste rit al omdat ze een tekort aan chauffeurs hadden. Tot op heden doe ik het met heel veel plezier. Het is een heel aparte beleving en het maakt mijn cirkel in de duivensport helemaal rond.” Henk geeft aan dat één van de redenen waarom hij dit baantje uiteindelijk toch heeft geaccepteerd, is gelegen in het feit dat hij graag zijn steentje wil bijdragen aan beter vervoer en verzorging van de duiven onderweg naar de losplaats. “Als je op een duivenauto rijdt ben je met een heel bijzonder transport onderweg. Dat vraagt veel van de chauffeur. Is deze zich er van bewust dat de eigenaren van de duiven er de hele week mee bezig zijn om hun duiven goed voor te bereiden? Beseft hij dat de duiven die hij vervoert in staat moeten zijn om een sportieve prestatie te kunnen gaan leveren? Houdt hij hiermee rekening in zijn rijstijl (voorzichtig door de bochten gaan, rustig en op tijd remmen, goed ver vooruit kijken)? Om iets aan die bewustwording te doen ben ik met de duivenauto-chauffeurs van afdeling 10 bij Gerard Koopman op bezoek geweest. Gerard nam ons mee in de hokken en nam alle tijd om uitleg te geven over de duivensport en te vertellen waarom het transport zo belangrijk is. De chauffeurs vonden het geweldig om eens achter de schermen te kunnen kijken en te horen hoe het allemaal in zijn werk gaat bij een duivenmelker thuis. Zij hadden zich niet gerealiseerd dat er zoveel voor komt kijken om met duiven te spelen.”

Het is uiteraard enorm te prijzen dat Henk zo’n activiteit op eigen houtje organiseert. Zelf ben ik van mening dat dit soort activiteiten echter verplichte kost zouden moeten zijn voor iedere chauffeur en convoyeur. Zo’n hokbezoek inclusief voorlichting zou m.i. standaard deel moeten uitmaken van een cursus die iedere chauffeur verplicht zou moeten volgen. Dan zullen zaken zoals ik vorige week op Facebook zag (het laten staan van twee tuinstoelen pal voor de deuren waaruit de duiven gelost worden), waarschijnlijk niet meer gebeuren. Henk pleit ook voor zo’n opleiding/curus. “Je kunt niet zomaar een chauffeur zonder enige kennis met duiven achter het stuur van een duivenauto zetten. Maar helaas gebeurt dat nog wel. Ik vind dat er alleen goed opgeleide chauffeurs en convoyeurs met een duivenauto op pad zouden mogen. We moeten zorgen dat iedereen die met de postduivensport bezig is bij elkaar betrokken is. Of dat het nou de professionele duivenliefhebber, de hobby speler, de chauffeur, convoyeur, bestuurslid, lossingsverantwoordelijke en ieder ander die op één of andere manier bij de postduivensport betrokken is. Men vormt met elkaar één grote familie en is afhankelijk van elkaar.”

Uit het bovenstaande spreekt de grote verantwoordelijkheid die Henk voelt om een positieve bijdrage te leveren aan het onderdeel vervoer. Dat hier nog veel te verbeteren valt is voor Henk duidelijk en waar hij maar kan zal hij trachten zijn invloed uit te oefenen. Het zou al een hele stap vooruit zijn als er meer (ex)duivenliefhebbers op de auto’s zouden zitten zowel als chauffeur als convoyeur. Henk kent zelf geen chauffeurs die zelf duiven hebben en ook onder de convoyeurs zijn er verschillenden die geen duiven bezitten. Dat hierdoor de betrokkenheid ook een stuk minder is mag duidelijk zijn. De liefhebbers die zich afvragen hoe het komt dat hun duiven soms onder de stront thuis komen, hebben er meestal geen idee van dat de oorzaak ligt bij onkunde van convoyeur of chauffeur. Hierdoor kunnen zaken gebeuren als te volle drinkgoten of dat met het leeg laten lopen van de goten meerdere kranen tegelijk worden opengezet, zodat ze overstromen en het water in de manden komt. Henk geeft aan dat dit soort zaken gewoon niet mogen en hoeven te gebeuren en tot het verleden zullen gaan behoren als er voor de convoyeurs en chauffeurs een cursus en soort van toelatingsexamen zou worden ingesteld.

Op Facebook circuleren er soms filmpjes van lossingen op plaatsen waar het echt niet kan en dat er duiven gewond raken of zich soms wel dood vliegen. Ik vroeg Henk of hij dat herkent. “Ja zeker. Ik heb zelf meerdere malen meegemaakt dat je op een losplaats staat waar te weinig ruimte is of waar je gewoon aan een doorgaande weg staat en het verkeer staande moet worden gehouden om de duiven veilig te kunnen lossen. Dat zou niet zo moeten. Ik vind dat 1x in de 2 jaar bij elke losplaats zou moeten worden gekeken of de losplaats nog wel up to date is om duiven te kunnen lossen. Kleine struiken worden groter, soms worden er hoge hekken geplaatst of nog erger zelfs windmolens.”

Er is de afgelopen jaren in verschillende afdelingen veel geïnvesteerd in de trailers. Ik vroeg Henk hoe hij daar tegenaan kijkt. “Als ik kijk naar afdeling 10 dan hebben wij één van de beste vervoerstrailers van Nederland. De klimaatbeheersing in de trailers is gewoon super. Zelfs onder het rijden kan ik de temperatuur in de trailer in de gaten houden. Het systeem regelt zelf de optimale temperatuur rond de 20 graden en werkt op dezelfde manier als een thermostaat van de verwarming in huis. Ook de ventilatie werkt super.” Een goede trailer met een optimaal werkend klimaat en ventilatiesysteem is in mijn ogen een absolute voorwaarde, maar dan ben je er nog niet. De verzorging onderweg is vooral bij de verdere vluchten en wanneer een paar dagen moet worden over gestaan minstens net zo belangrijk. Hoe kijkt Henk hier tegenaan? “Je hebt het dan over zaken als bodembedekking in de mand, voeren in een voergoot of in de mand, onderweg stoppen om water te geven, enz. Allereerst valt en staat de verzorging met de kennis en kunde van de convoyeurs en chauffeurs, zoals hiervoor al gezegd. Daarnaast vind ik karton de beste bodem bedekking, maar ik wil wel hieraan wel toevoegen dat wanneer de duiven meerdere dagen in de manden moeten zitten, ik graag een dubbele laag karton in de manden zie, zodat de mest beter opdroogt en minder infectiedruk geeft tijdens het voeren in de mand. Want voeren in de mand is denk ik wel het beste, zodat elke duif een eerlijke kans krijgt om te eten en niet de duif met de grootste mond het meeste en lekkerste eten op eet. Voor wat onderweg luchten en water geven betreft voorziet het rijtijden regelement. Bij alle ritten moet er één of meerdere malen gestopt worden onderweg. Dit heeft ook te maken met de rijtijdenwet van de chauffeur. Afhankelijk van de temperatuur buiten luchten wij bijna altijd bij tijdens een stop. We zetten even een paar deuren op een kier en geven zo nodig water.”

Tot slot vroeg ik Henk naar zijn mooiste en slechtste ervaringen op de duivenwagen. “Mijn mooiste ervaringen zijn de gezelligheid met elkaar en ook tijdens de rustmomenten onderweg met andere afdelingen (koffie drinken etc). Mijn minst mooiste ervaring is dat we op sommige losplaatsen worden lastig gevallen en bedreigd door Oost-Europese chauffeurs of drugsdealers.”


12 maart 2019

Pieter Eekhof – Joure / Eenvoud in de duivensport.4

Op mijn vorige column over dit onderwerp waarbij Ad van Herik (Gupke) uit Tilburg centraal stond, kreeg ik veel reacties. Zo gaf Marten Leegstra aan dat niemand anders dan jijzelf bepaalt hoe hoog je de lat legt. Hij gaf als boodschap mee aan de topsporters al dan niet commercieel, dat ze soms wel wat vaker naar hun collega duivenliefhebber die als amateur hobbymatig de duivensport beoefent, zouden kunnen omkijken. Dat schort er zo hier en daar wel aan. Als belangrijkste boodschap aan de hobbyspeler gaf hij mee, probeer vooral positief te blijven en te genieten. Lukt dit niet stop er dan mee in plaats van af te geven op de topsporters c.q. grote liefhebbers. Ook reageerde kapelaan Bert Breuer aan wie ik ook al eens een column wijdde. Hij geeft aan zich jarenlang sterk te hebben gemaakt voor eerlijkere concoursen en noemt de duivensport de meest oneerlijke sport die er bestaat. Bert wijst er verder op dat dit feitelijk al zo is vanaf het bestaan van de duivensport. In 1872 bijvoorbeeld wordt er door Postduiven Sociëteit de Korenbeurs een wedvlucht georganiseerd vanuit Laon. Buiten de elitaire leden mogen ook andere duivenliefhebbers meedoen. Zo is er meer eer te behalen en meer geld te verdienen. Je kunt wel raden welke liefhebbers er op deze ongelijke wedvluchten met de eer en het geld gingen strijken.

De liefhebber die in deze column centraal staat is de 61 jarige Piter Eekhof uit Joure die zo’n 53 jaar duiven heeft. Hij is dus als kind al in de duivensport gerold. Zijn opa en drie ooms hadden ook postduiven. Zijn opa was nog één van de oprichters van PV de Zwarte Doffer die in 1923 is opgericht. Net als Ad v.d. Herik is ook Pieter een liefhebber van de fond. En hier speelt hij al heel wat jaren niet onverdienstelijk op. Met een heel klein ploegje duiven slaagt hij er vrijwel jaarlijks in om zeer mooie uitslagen te maken. Afgelopen jaar stond hij zelfs als grootmeester van Perigueux in het Spoor der Kampioenen. Dit jaar was sowieso een goed duivenjaar voor Pieter. Terwijl velen klaagden over de zwaarte van de vluchten en veel duiven verspeelden, waren de duiven van Pieter in hun element. Dit resulteerde in het 1e onaangewezen en 2e aangewezen kampioenschap in het sterke NIC Noordwolde met concurrentie van o.a. Jellema Sr en Wim en Co Wittebol. In mijn vorige column schreef ik dat liefhebbers die op een eenvoudige manier duiven houden, op de wedvluchten doorgaans genoegen moeten nemen met de kruimels die de kampioenen overlaten. Pieter loochenstraft met zijn prestaties echter mijn woorden. Ik vind dat prachtig. Met zijn successen geeft hij immers aan dat het nog eenvoudig kan. En wat is dan eenvoudig volgens Pieter?

“Voor mij is de duivensport op de eerste plaats ontspanning, echt als hobby. Naast duiven heb ik nog meer hobby’s. Zo geef ik drie keer in de week voetbaltraining aan het meisjes en damesteam van SC Joure. Het sociale aspect en de omgang met de duiven staan bij mij voorop. Eenvoud in de verzorging betekent voor mij alleen voer, water en grit. Er worden geen bijproducten verstrekt en luxe hokken met klimaatbeheersing zijn ook niet aan mij besteed. Ik probeer heel dicht bij de natuur te blijven. Dat betekent ook dat ik op medisch gebied bijna niets doe. De verplichte enting tegen Paramyxo en 1 x per jaar een wormpil en verder niets. Ik maak ook nooit een drinkbak schoon. Onderweg in de natuur drinken de duiven immers ook wat ze kunnen vinden. Ook qua tijdsbesteding is er een groot verschil. De gedreven liefhebbers zijn er tijdens het vliegseizoen dag en nacht mee bezig en ik hooguit twee uur per dag en in de winter nog geen kwartiertje. Veel rijden met de duiven en gedwongen training doe ik dus ook niet. Daar zie ik het nut niet van in. Maar anderen die het wel doen zien er wel voordelen van. En dat is toch prima? Iedereen moet de vrijheid hebben om de duivensport op zijn eigen manier te beoefenen, zoals dat hij/zij denkt dat goed is. Ik maak overigens wel de hokken schoon als de duiven trainen, maar niet omdat ik vind dat het moet, maar meer uit gewoonte. Ik zoek het ook niet in veel duiven. Ik heb geen kwekers en in totaal 22 vliegkoppels, waarvan ik alleen de doffers speel.  Met de duivinnen wordt niet gevlogen. Dus ouderwets weduwschap met doffers.”

Uit het bovenstaande zullen de liefhebbers die Piter Beerda gekend hebben waarschijnlijk grote overeenkomsten zien in de manier van verzorging. Het zal waarschijnlijk dan geen verrassing zijn, dat Pieter zijn hokbestand voor ruim 75 % uit Beerda’s bestaat. Deze zijn afkomstig van Sjaak Gerbens en Siemen Luinenburg (Duivenluis). De rest van de duiven zijn afstammelingen van de duiven van zijn ooms en opa, nazaten van duiven die op een bonnetje verkregen zijn of geruild met sportvrienden als Koos Dijkstra, Harry Hoekstra en Hans Bos. Ook in deze duiven zit veelal nog een flink percentage Beerda.

Ik vroeg Pieter hoe hij aankijkt tegen de professionalisering van de duivensport. En of de strijd van amateur tegen de z.g. prof volgens hem nog wel mogelijk is, of zou in de duivensport net als in het voetbal een onderscheid moeten komen tussen amateurs/hobbyisten en een prof/sportklasse? “Ik denk zeker wel dat het mogelijk is om als amateur/hobbyist de prof te verslaan. Duivensport is niet eerlijk en zal het ook niet worden. Denk daarbij ook aan ligging, windrichting en afstand. Maar gelukkig zijn er altijd verrassingen. Ik ben ook absoluut geen voorstander van inkorfbeperking. Natuurlijk heeft een grotere inkorver meer kans op een vroege duif, maar het zij zo. Ik korf zelf vaak maar 2 of 3 duiven in en weet toch regelmatig een vroege duif te klokken. En een verdeling in amateurs en profs zoals in het voetbal zie ik niet zitten. Er zijn steeds minder duivenliefhebbers en deze dan ook nog op te splitsen lijkt me geen goed plan. Het is inderdaad zo dat er liefhebbers zijn die enorm domineren. Dat speelt vooral in kleinere clubs met veel hobbyisten en slechts één of enkele zeer gedreven melkers die er alles voor over hebben om te winnen. Hier is m.i. niets tegen te doen.”

Tot slot nog enkele vragen

Wat is je mooiste resultaat tot nu toe?

De diverse Teletekstnoteringen zie ik als mijn beste resultaten, maar elke keer als ik een duif thuis krijg van Barcelona ervaar ik dat ook als een heel speciaal en mooi moment. Ik denk daarbij dan ook altijd aan de verhalen van mijn opa die nog op Milaan heeft gespeeld en dan zeer trots was als hij na een week een duif thuis kreeg.

Wat is volgens jou de reden dat er nogal wat liefhebbers stoppen met de duivensport?

Enerzijds de leeftijd. De meeste liefhebbers zijn al wat ouder. En aan de andere kant speelt ook de tweedeling tussen amateurs en profs een rol. Zelf heb ik overigens nog nooit overwogen om te stoppen. Ik beleef er veel te veel plezier aan.

Wat kan de neerwaartse spiraal in de duivensport stoppen volgens jou?

Maak het in de basis, dus bij de vereniging gezellig. Zorg dat iedereen wat kan winnen. Ook is het belangrijk dat elke liefhebber op papier komt. De NPO zou meer moeten luisteren naar de liefhebbers. De bestuursleden van de NPO zouden vaker de provincies moeten ingaan en naar de mensen komen luisteren in plaats van dat de liefhebbers naar Papendal moeten komen.

Wat is je mooiste herinnering?

Heel speciaal zijn voor mij de herinneringen aan al die uren wachten met mijn Omke Pet (bijnaam) en naar zijn verhalen over vroeger luisteren. Bijvoorbeeld het verhaal over mijn tante die met de gummiring in haar mond naar de enige liefhebber in het dorp moest fietsen, totdat ze een keer met de fiets was gevallen en de ring had ingeslikt. Daarna mocht ze de gummiringen niet meer wegbrengen.”


8 februari 2019

Jan Broersma – Roodeschool / kweken.7

Net als Sije Pijl, de hoofdpersoon van mijn vorige column met als onderwerp kweken, komt ook de liefhebber die in deze column centraal staat, uit het hoge noorden. Het betreft Jan Broersma uit Roodeschool, een dorp dat bij veel liefhebbers ook bekend is als lossingsplaats. Ook nu nog worden er nog regelmatig attractievluchten gehouden vanaf dit in het uiterste noordoosten van ons land gelegen dorp, dat 100 jaar geleden zelfs nog deel uitmaakte van het officiële vliegprogramma van Brabantse clubs.

De 62 jarige Jan Broersma is voor velen geen onbekende in de duivensport. Hij slaagt er al jaren in om met een klein ploegje duiven grootse prestaties neer te zetten op de marathons. Zo ook afgelopen jaar op onder andere Dax. De afstand van Dax voor Jan zijn duiven bedraagt maar liefst 1222 km. Op deze vlucht had hij alle drie zijn duiven om 18.02 uur thuis, terwijl het loodzware nationale concours pas de volgende dag om 11.30 uur in Urk sluit. En Urk ligt nog ruim 100 km dichterbij. Dit soort uitslagen zijn voor Jan overigens geen uitzondering. Bijvoorbeeld op Bergerac in 2016 klokte Jan alle 8 zijn ingekorfde duiven al voordat het concours gesloten was. Jan heeft in zijn lange duivenloopbaan bijna alles wel gewonnen wat er te winnen valt. Alleen een nationale overwinning ontbreekt nog op het prestatielijstje. Om op een dergelijke afstand dit soort prestaties neer te zetten, moet je beschikken over een zeer sterk soort duiven. Die zijn niet dik gezaaid. Jan; “Het is moeilijk om duiven te vinden die onze afstanden aan kunnen, omdat het lang niet altijd zeker is dat een duif die 1000 km aan kan ook succesvol is op een St Vincent van 1235 km. Want als de tank leeg is na 1050 km houdt het op en zal de duif naar beneden moeten.”

Jan heeft zijn hele leven al duiven. “Bij het ouderlijk huis te Uithuizermeeden hadden we naast mijn sierduiven ook nog zangvogeltjes en konijnen. Dit waren Vlaamse reuzen en speciaal bestemd voor consumptie, want mijn ouders hadden heel wat monden te voeden aangezien ik uit een gezin kom van 14 kinderen. Omdat er eigenlijk geen geld was voor een hobby als de duivensport, heb ik samen met mijn jongere broer Jaap hokjes in elkaar gespijkerd van gratis afvalhout. Het voer kregen we via een oom die op een meelfabriek werkte. We mochten af en toe een emmer tarwe en gebroken mais ophalen wat bij de fabriek was gemorst. De eerste echte postduiven kregen we van een bij ons in de buurt wonende liefhebber (Rozenga). Deze duiven zagen we in tegenstelling tot onze pauwstaarten echt trainen rond zijn woning en dat wilden wij ook. Het ging al heel gauw vrij goed met de prestaties en in 1972 wonnen wij ons eerste bekertje dat ik nog altijd in mijn bezit heb. Vanaf 1980 wonen mijn vrouw Veronyka en ik in Roodeschool op een mooi plekje met een ruime tuin waar het goed toeven is voor de duiven. De duivensport werd vanaf die tijd serieuzer aangepakt. Naast een goed hok moesten er ook andere duiven komen. Deze kwamen van de landelijk bekende liefhebber J.Hillenga uit Delfzijl. Naast het goede soort kwam er van zijn kant ook ondersteuning van hoe te melken om successen te behalen. Veel kampioenschappen werden behaald en de successen stonden regelmatig in de N.P.Orgaan bij Nadoen en bij Wie Heeft Ze Beter. Hele goede duiven kwamen later ook van Tonnie van Dam, de vliegende veehandelaar uit Hattem. Geweldige duiven waren dit en dan met name de nazaten van zijn beroemde “Leo” lijn waren topduiven.”

Jan is zich pas vanaf 2002 op de grote fond gaan toeleggen. Nadat hij tijdens een landelijke prijsuitreiking kennis maakte met Koop en Gerda Kiekenbelt, beloofde deze Jan een paar jonge duiven voor de zware fond. En tijdens het voorjaar van 1998 werden deze door Koop en Gerda gebracht. Jan was die belofte toen eigenlijk al vergeten. “De eerste jaren maakte ik eigenlijk helemaal geen gebruik van de kwaliteiten van deze duiven, want ik speelde ze nooit verder dan op de programmavluchten. In 2002 echter speelde ik voor de aardigheid 2 duiven op St. Vincent en tot mijn grote verbazing speelde een van deze Kiekebelt duiven de 2e Nationaal Sector 4. Vanaf dat moment was ik verkocht voor deze discipline en ging ik me er steeds meer op toeleggen. Meerdere duiven van Koop kwamen naar Roodeschool en later kwamen daar ook duiven bij van de vermaarde Jan Corstjens uit Thorn en andermaal van Tonnie van Dam die inmiddels ook was overgestapt naar de grote fond. Met deze duiven ben ik goed geslaagd kun je wel zeggen en ook een rode doffer van het hok Glazenburg uit Winschoten gaf een kwaliteitsinjectie.”

Jan is er dus in geslaagd om met een beperkt aantal duiven in relatief korte tijd een stammetje op te bouwen waaruit elk jaar meerdere goede duiven worden gekweekt. En wanneer je dan beseft dat hij een kleine melker is die jaarlijks maar enkele tientallen jonge duiven kweekt, kun je geen andere conclusie trekken dan dat hij het kweken in de vingers moet hebben. Hoe gaat hij te werk vroeg ik hem. “Ik speel mijn duiven op nest en heb tot nu toe nog nooit meer dan 10 koppels meerjarige duiven op mijn hok gehad. Meestal zijn het er nog minder omdat ik er van overtuigd ben dat strenge selectie ontzettend belangrijk is om de kwaliteit op peil te houden. Het duivenbestand word gecompleteerd met een 6 tot 10 koppels jaarlingen en een 8 tal koppels kweekduiven. De meeste marathonvluchten speel ik met 2 tot 10 duiven. Als er op een van de laatste vluchten ook jaarlingen meegaan is dit aantal hoger natuurlijk. Op de marathonvluchten van 1100 kilometer of meer speel ik alleen maar enkele zeer ervaren duiven. Er zijn maar weinig duiven die deze afstanden met succes kunnen overbruggen. Van mijn succesvolle duiven probeer ik een stammetje te vormen en de ingeteelde exemplaren kruis ik dan met ander soort waarvan ik denk dat ze die afstanden ook aan kunnen. Alleen de duiven die bewijzen dat ze het waard zijn komen dan weer in aanmerking om in de stam te worden gebracht.”

Er gaan jaarlijks duizenden duiven door mijn handen en het valt mij daarbij op, dat bij de kampioenen zelden duiven op de kweek zitten die niet voldoen aan de eisen die ik aan een kweekduif stel. Echter bij liefhebbers die zelden of nooit op het podium staan zie ik daarentegen regelmatig duiven die het predicaat kweker mijn inziens niet verdienen. Dit betreft dan vrijwel altijd (duur) aangekochte duiven. Dus puur op stamboom gekocht. Soms zijn dit dan kinderen, kleinkinderen en broers of zusters van absolute topduiven. Recent nog kreeg ik twee zonen in handen van een zeer goede marathonduif, één van de betere overnachtduiven van de afgelopen jaren van ons land zelfs. De desbetreffende doffers waren moddervet, hadden een zwak frame en waren nauwelijks gespierd. Bij het in de hand nemen sperden ze hun bek ver open. Ik vroeg Jan of hij zulke duiven op zijn kweekhok zou plaatsen, daar het immers zonen waren van een beroemde topper. “Nee, absoluut niet. Ik kweek nooit uit duiven met echte tekortkomingen en ik moet zeggen dat ik nog nooit een hele goede marathonduif heb gezien met een ernstige tekortkoming.” Vervolgens vroeg ik hem welke duiven bij hem in aanmerking komen om van te kweken. Hierop kreeg ik een appje met een foto van mijn lijstje met de 10 punten die ik noem op mijn website onder het tabblad koppelen. Jan schreef daarbij met een smiley; “Op één of andere manier voldoe ik aan alle voorwaarden”. Dat is voor mij erg leuk om te lezen natuurlijk, maar ik wilde toch graag nog wat meer uitleg van Jan.

“Er wordt alleen gekweekt uit de beste kwekers en de beste vliegers. Deze worden gericht gekoppeld waarbij het uitgangspunt is heel goed x heel goed, omdat dit een aanzienlijk grotere kans geeft op bruikbare duiven. En het liefst zet ik duiven bij elkaar die dan ook nog aan elkaar verwant zijn. De kwekers zijn mijn betere ex-vliegers maar soms ook aangeschafte duiven die ik op de kweek een aantal jaren de kans geef iets goeds op de wereld te zetten. Deze moeten binnen een paar jaar wel bruikbare duiven geven, anders verdwijnen ze ook weer. Natuurlijk wordt er ook wel eens een koppel bij elkaar gezet die nog weinig hebben kunnen laten zien, maar waarvan ik het gevoel heb dat het supers zijn. En je moet soms ook wat geluk hebben om een super te kweken. Zo is mijn “Figo koppel” waaruit al meerdere teletekstduiven zijn geboren, stom toevallig gevormd. De doffer en de duivin van dit koppel waren als laat jong op het kweekhok blijven zitten omdat de liefhebber die ze had besteld niet op kwam dagen. Ze waren al te oud om ze los te laten en ik heb ze later eerst maar gepaard om te dienen als voedsterkoppel. Op een zeker moment heb ik toch maar wat jongen van hen laten lopen met het bekende resultaat.”

“Van mijn beste kweekkoppels worden de eerste jongen door mijn jaarlingen groot gebracht, zodat ik van de betere koppels vlak na elkaar 4 jongen heb. Ik koppel mijn duiven vaak op gevoel en dan is het wel zo dat ik nooit twee grote bij elkaar zet omdat ik van mening ben dat de meeste goede marathon duiven wat kleiner zijn dan gemiddeld en ze moeten een hele beste pluim hebben en evenwichtig gebouwd zijn. Ook heel belangrijk voor een goede duif vind ik dat ze van weinig voer niet mager worden want deze zullen nooit 15 tot 20 uren kunnen vliegen. Naar de kleur ogen kijk ik eigenlijk niet. Wel vind ik belangrijk dat de duiven een soort van intelligentie moeten uitstralen en een kleine pupil moeten hebben als de zon er op staat. Het is wel zo dat ik er van overtuigd ben dat des te meer kampioensduiven er in de stamboom zitten de kansen toenemen op goede nazaten en dan bedoel ik wel ouders, grootouders en overgroot ouders en niet dat de eerste goede duif pas te vinden is in 4 generaties geleden.”

Uit het bovenstaande blijkt dat Jan weloverwogen te werk gaat en zo min mogelijk aan het toeval wil overlaten. Als het toeval hem dan toevallig een handje helpt zoals met het Figo koppel, is dat mooi meegenomen. Ik vroeg Jan hoe hij aan zijn kennis komt en of hij veel gelezen heeft. “Ik heb wel één en ander opgestoken uit de boeken van Piet de Weerd, hoewel ik op zich niet veel boeken over het kweken van duiven heb gelezen. Het is me te theoretisch allemaal. SELEKTIE is het allerbelangrijkste. Spelen en nog eens spelen, zodat de beste over blijven waarna deze in familieband tegen elkaar worden gezet. Deze ingeteelde duiven dan weer kruisen op niveau.” Desgevraagd geeft Jan aan dat de mand wel het laatste woord heeft voor wat de selectie betreft, maar dat hij bij de selectie en de keuze van zijn kweekduiven, toch ook wel let op uiterlijke kenmerken en dan vooral op de spieren. “De spieren van de duiven vind ik uitermate belangrijk als kwaliteitseis van de marathonduif. Zonder goede soepele spieren die als een ballon op kunnen zwellen als ze in vorm zijn, kunnen ze nooit 1200 km overbruggen met tegenwind. Dit is de belangrijkste eis zoals ook Piet de Weerd altijd verkondigde in zijn zeer leerzame boeken.”

Tot slot nog enkele vragen:

Wat doe je aan medische begeleiding?

Niet zo veel. De natuurlijke weerstand van de marathonduif vind ik namelijk zeer belangrijk. Veel liefhebbers geven de duiven veel te veel antibiotica om ze gezond te houden. Dat gaat dan van kwaad tot erger en op een zeker moment zitten ze opgescheept met duiven die ontzettend vatbaar zijn voor van alles en nog wat. Die duiven zullen steeds meer antibiotica nodig hebben om gezond te blijven. Op een zeker moment helpt niets meer en dan is het over en uit. Ik ben ervan overtuigd dat er steeds meer ziektes onder de duiven zullen ontstaan door dit veelvuldig gebruik van antibiotica. Zelf maak ik ter ondersteuning van de natuurlijke weerstand van de duif alleen gebruik van Backs Balance en TKK van de firma Backs. Dat is ontwikkeld door Albert Hiemstra en hier ben ik zeer tevreden over.

Hoe bereid jij je duiven voor op de kweek?

Mijn duiven bereid ik niet heel speciaal voor op de kweekperiode. Ze worden in de winter wel schraal gevoerd en in aanloop naar de koppeldatum wordt er iets kweekvoer aan de mengeling toegevoegd. Bijlichten doe ik niet, want ik koppel de duiven pas in maart en het voorjaarsweer zorgt er dan voor dat ze er klaar voor zijn. Ik koppel altijd zo laat om het doodsimpele feit dat ik er in de wintermaanden gewoon geen zin in heb om met de kou in het duivenhok te zijn. Ze krijgen in de winter gewoon 1 x per dag voer en water en daar moeten ze het mee doen. Ik geloof in het schraal houden in de winter en opbloeien in de zomer. Mijn duiven brengen hun jongen groot op de kweekmengeling van Matador, goed grit en een bak allerhande van verschillende merken.


14 januari 2019

Kleis Jan Rauwerda – Hallum / Beginners.10 (slot)

Dit is mijn 10e en tevens laatste column over beginners in de duivensport. In de afgelopen 10 jaar dat ik actief ben als de-duivencoach.nl hebben tientallen beginners mijn pad gekruist. De meeste van hun ervaringen zijn verwerkt in de 9 voorgaande columns over dit onderwerp. Een steeds terugkerend gespreksonderwerp met beginners is het vakjargon van de duivensport. Ook krijg ik hier dikwijls vragen over per mail, chats via Facebook en WhatsApp. Ik heb inmiddels de meeste termen die vragen oproepen op een rijtje gezet. Zo gauw ik daar wat tijd voor kan vrijmaken, zal ik dit document uitwerken en op mijn website plaatsen.

In deze laatste column kijk ik terug naar de rode draad in die columns en dat doe ik deze keer samen met de 58 jarige Kleis Jan Rauwerda uit Hallum. Kleis Jan had gedurende zijn kinderjaren een korte periode een paar sier- en postduiven, maar heeft verder zijn hele leven nooit meer iets met duiven gehad. Totdat hij een paar jaar geleden via zijn werk in contact kwam met Chris Beckers uit Lelystad. Deze sprak zo enthousiast over de postduivensport, dat  al na een paar gesprekken zijn interesse was gewekt. De duivensport leek Kleis Jan wel een geschikt tijdverdrijf  voor als hij met pensioen zal gaan en zodoende besloot hij om met postduiven te beginnen. Eerst werd naar een hok gezocht, dat in de zomer van 2017 in Brabant werd gevonden, bij een oude liefhebber die met de duivensport stopte vanwege gezondheidsproblemen. Hij mocht het gratis hebben als hij het zelf zou slopen. “Het hok was 6 x 2 meter en na een dag hard werken met mijn twee zonen lag het op de tandemasser, behalve de vloer want dan zou de vracht te zwaar worden. Bij het afscheid gaf de liefhebber ook nog zijn mega systeem, manden, voerbakken en broedschalen gratis mee. Van Chris Beckers kreeg ik 20 late jongen. Helaas kreeg ik na een paar weken een ziekte op het hok waaraan verschillende jonge duiven stierven. Met de overgebleven 10 jongen, aangevuld met nog een paar via internet aangekochte duiven ben ik in 2018 gaan kweken en heb ik met de jongen op de navlucht meegespeeld. Inmiddels heb ik 60 duiven op het hok. Ik ga me toeleggen op de grotere afstanden. Dat ik daarvoor landelijk niet al te gunstig lig in het noorden van het land tegen de Waddenkust, realiseer ik me ook.”

In mijn eerste column over beginners vertelde Henri Akkerman dat hij de duivensport erg gecompliceerd vond. Henri was redelijk succesvol geweest met het fokken van sierduiven, waarbij het vooral om uiterlijke kenmerken gaat. Bij postduiven komt echter wel wat meer voor kijken. Ook Anno Sportel uit column 8 gaf aan het erg moeilijk te vinden om een goede kweek- of vliegduif te herkennen. Voor Henri was dit uiteindelijk één van de redenen waarom hij na een paar jaar de duivensport vaarwel heeft gezegd. Kleis geeft desgevraagd aan dat hij dit ook moeilijk vindt, maar dat hij veel geduld heeft. Succes hoeft voor hem niet heel snel te komen. “Ik vind het beoordelen en selecteren ook moeilijk. Vandaar dat ik Nico (de-duivencoach.nl) gevraagd heb dit te doen en mij tevens te wijzen waarop ik kan letten. Je zult geduld moeten kunnen opbrengen en goed moeten kunnen selecteren, wil je elk jaar iets beter worden. Daar ben ik me goed van bewust en geduld heb ik wel. Daarnaast heb ik altijd tijd te kort, maar voor de duiven maak ik tijd. Het is ook een stukje ontspanning na een drukke dag. Ik kan me echter goed vinden in wat Frank van de Dragt in column 6 zegt; dat het tekort aan tijd een belemmering is om met de top mee kunnen draaien. Dat geldt voor mij ook. Ik ben ’s morgens zeer vroeg van huis en ben ook ’s avonds niet echt vroeg thuis. Ik heb geen hulp bij de duiven. Af en toe laat mijn zoon de duiven los, maar dat is het. Mijn vrouw gunt mij mijn hobby maar vindt deze wel erg tijdrovend. Ik stel mijn doelen de eerste tijd dan ook beslist niet te hoog. Ik wil eerst proberen om in de club een beetje mee te komen. Ik heb nog een paar jaar te gaan voor mijn pensioen en dan heb ik voldoende tijd om de puntjes op de i te zetten. Vooralsnog geniet ik vooral ook van de gezelligheid en saamhorigheid in de club.”

Het aspect te kort aan tijd om het echt goed aan te kunnen pakken, wanneer je nog volop in het arbeidsproces zit en daarnaast nog een gezin hebt, werd ook door Harmen Faber (column 4) en Huib Akster (column 3) genoemd. Huib gaf daarbij tevens aan de duivensport een dure sport te vinden. Hoe kijkt Kleis hier tegenaan? “Ik denk dat je het net zo duur kunt maken als je zelf wilt. Je bent baas over je eigen beurs/geld. In plaats van wat ik heb gedaan met dat oude gratis hok op te halen, had ik ook een nieuw hok kunnen laten plaatsen. Of ik had in plaats van met de gekregen duiven van Chris te starten, een aantal bewezen, dus dure duiven kunnen kopen. Maar ik heb gekozen voor langzaam opbouwen en uitbreiden . Om goede duiven in je bezit te krijgen, hoef je niet altijd veel geld uit te geven. Ik denk dat je met een bonnetje van een paar tientjes ook mazzel kunt hebben. Bovendien worden er uit heel veel goede en dure duiven ook slechten gekweekt. Ik heb het geluk dat ik goede duiven van Chris heb gekregen , maar ik heb ook wel wat bij gekocht . Maar deze bleken kwalitatief een stuk minder dan die ik van Chris had gehad. Hier waren gelukkig geen grote bedragen mee gemoeid, maar het was voor mij wel een goede waarschuwing om zeer voorzichtig met het aanschaffen van duiven te zijn.”

Uit het voorgaande blijkt dus dat tijd en geld belangrijke aspecten zijn die een obstakel kunnen vormen voor een beginner. Een ander aspect wat onder andere door Jelle Roskam in column 3 wordt benoemd, is wat deze noemt “het fanatiek ermee bezig zijn”. Hier snijdt hij een enorm belangrijk onderwerp aan waarmee succes valt of staat in mijn ogen. Ik noem dat de gedrevenheid en wil om te winnen. Als ik terugkijk naar de afgelopen 10 jaar waarin ik honderden liefhebbers heb getracht te coachen, zie ik bij de meesten in het begin een enorme gedrevenheid. Echter na verloop van tijd ebt die gedrevenheid weer weg en laat men weer steekjes vallen. Ik vroeg Kleis hoe hij zijn duiventoekomst ziet en of hij niet bang is dat het hem hetzelfde zal vergaan als de successen achter blijven. “Zoals al eerder gezegd. Ik heb veel geduld en kom niet onbeslagen ten ijs. Ik ben leergierig, hou ogen en oren goed open. Ik heb een aantal oude boeken waar ik veel informatie uit heb gehaald, en daarnaast raadpleeg ik de rubriek “Vraag het aan Martijn op Duivenmarktplaats”. Verder heb ik in mijn directe omgeving inmiddels een aantal mensen die hun sporen in de duivensport verdiend hebben, waar ik met mijn vragen terecht kan zoals mijn oude buurman Hofman hier in het dorp, clubgenoten als bijvoorbeeld Ronnie Leusink en natuurlijk Chris Beckers. En met daarbij de duiven van Chris die een zeer goede kweekstal heeft en de coaching plus adviezen van Nico (de-duivencoach.nl) moet ik toch een heel eind kunnen komen. Maar nogmaals ik heb geduld en ga niet over één nacht ijs.”

Een aspect dat door beginners ook veel genoemd wordt is het aspect ziekte. Het niet (op tijd) kunnen zien wat er aan hun duiven mankeert en deze vaardigheid in de vingers krijgen. Marc Flap (column 5) en Jeroen Kluinhaar (column 7) vonden dit het allerlastigste. Ik vroeg Kleis of hij dit ook zo ervaart. “Ik denk dat ik het vrij snel zie als er wat aan mankeert, omdat ik al 25 jaar kippen heb. Ik gebruik zo min mogelijk medicijnen. Als er een duif niet goed bijzit haal ik die er direct tussen uit. Ik zie het een paar dagen aan en als ze niet snel uit zichzelf opknappen dan is het einde verhaal.”  

Tot zover Kleis als laatste beginner in de reeks van 10 columns/minireportages over beginners in de duivensport. In zijn antwoorden op mijn vragen en de nuchtere manier waarop hij de duivensport beantwoord, zie ik grote overeenkomsten met Frank v.d. Dragt en Rob Noordegraaf. Beiden hebben zich inmiddels als succesvol postduivenliefhebber ontwikkeld. Ik zou het erg mooi vinden als Kleis hun voorbeeld zal volgen.

 

 

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl