15 augustus 2018

Bijproducten.3/ Herman Strikkers - Dalfsen

Regelmatig vragen liefhebbers mijn mening over een bepaald product. Of men hanteert een voedingsschema waarin bijproducten een grote rol spelen en vraagt mijn mening daarover. Als ik dan hoor en lees wat zij hun duiven allemaal verstrekken, raak ik er steeds meer van overtuigd dat een groot percentage liefhebbers hun duiven in meer of mindere mate vergiftigd en dat dit één van de redenen is waarom men niet presteert. Als toch vooraanstaande liefhebbers als Jelle Jellema en Bas Verkerk aangeven dat bijproducten niet nodig zijn om goed te presteren, waarom staan er dan toch bij vele liefhebbers grote aantallen emmers, potten en flessen in de kast? Ik sprak hierover met de 69 jarige Herman Strikkers die zijn hele leven in de duivensport zit en zelf ook verkoper is van bijproducten. Na mijn vorige column/minireportage over bijproducten waarbij Martin Trompetter de hoofdpersoon was, las ik enkele reacties dat mijn column puur reclame was voor het product waar Martin verkoper van is. Met het risico dezelfde kritiek over me heen te krijgen, laat ik deze keer Herman aan het woord over zijn product(en). Ik schrijf deze columns echter niet met het oogpunt om reclame voor wat voor product dan ook te maken, al vind ik daar overigens niets mis mee als het een goed product is. Mijn echte drijfveer is echter het delen van informatie en het delen van mijn ervaringen als de-duivencoach.nl.

Herman heeft dus zijn hele leven al duiven. “Sinds mijn geboorte heb ik al met duiven te maken. Zowel van mijn vaders kant als van mijn moeders kant (vader, ooms, opa’s etc.) had bijna iedereen duiven. Ik ben dus nog nooit een dag in mijn leven zonder duiven geweest.” En Herman kan terugkijken op diverse hoogtepunten gedurende die bijna 70 jaar. “Mijn mooiste herinneringen bewaar ik aan het samen met mijn vader op de duiven zitten wachten. Zowel toen ik als kind bij mijn ouders woonde als later toen ik inmiddels getrouwd was en mijn eigen stekkie had. Mijn vader kwam dan elke vlucht op zijn fiets (had geen auto) bij ons de duiven opwachten. De mooiste resultaten zijn natuurlijk de sector en nationale/internationale overwinningen op Chateauroux (2 x waarvan 1 x als enige op de dag van lossing een duif thuis) en Ruffec (ook 2 x).” Herman is eveneens bekend van de duivensportzaak Traseco in Zwolle, die ruim 30 jaar een begrip was in Zwolle en de wijde omgeving. “Na 20 jaar voor een baas te hebben gewerkt ben ik in 1984 voor mij zelf begonnen met Traseco. In de beginjaren daarbij bijgestaan door een goede vriend die toen met pensioen was en ook in de duivensport zat. Naast de duivensportproducten verkochten we ook nog sportprijzen (bekers medailles e.d.) gereedschap en partijhandel (wat in eerste instantie wel de hoofdmoot was). In de duivensportwinkel verkochten we de meest uiteenlopende producten voor duiven. Dit van diverse merken.”

Sinds een paar jaar bestaat de duivensportwinkel niet meer. Traseco bestaat nog wel maar richt zich nu volledig op de productie en verkoop van DUO kruidensupplementen voor mens en dier, dus niet alleen gericht op duiven. “Nadat wij in de winkel een vraag hadden of we ook Duo kruiden elixer verkochten zijn we op zoek gegaan naar de producent hiervan en kwamen in contact met Jan Smit uit Veendam. Duo kruiden elixer werd in eerste instantie in de woning van Jan Smit in Veendam gemaakt. Toen de productie toe nam bleek dat daar al snel niet meer te kunnen, omdat de productie aan allerlei eisen moest voldoen. Zodoende zijn we terecht gekomen in Zwolle waar het wel geproduceerd mocht worden. Inmiddels hadden we de volledige receptuur en de verkoop wereldwijd toen al overgenomen van Jan Smit. Na steeds weer te zoeken naar verbetering en aanvulling om het product nog beter te maken, zijn we gekomen tot het product wat het nu is. Inmiddels wordt het verkocht in diverse landen en met zeer goede referenties uit binnen en buitenland. De belangrijkste reden om DUO kruiden elixer op de markt te brengen is dat ik een tegenstander ben van antibiotica. Alleen als het echt niet anders kan dan moet het. Maar indien men Duo kruiden elixer goed gebruikt zal men er achter komen dat antibiotica steeds minder nodig is.”

Herman gebruikt zelf nu voornamelijk zijn eigen producten uiteraard, maar hij heeft in de loop der jaren uiteraard uiteenlopende bijproducten van diverse bedrijven uitgeprobeerd op eigen hok. “Zelf gebruik ik uitsluitend mijn eigen producten en soms wel eens aangevuld met iets anders op aanraden van goede liefhebbers. Maar ik denk dat men niet alles door elkaar moet geven. Als het goed is moet het goed zijn. Te is nooit goed.” Inmiddels beperkt Herman zich niet meer alleen tot de productie en verkoop van DUO kruidenelixer, maar heeft Herman het assortiment uitgebreid. “Ik ben altijd op zoek naar goede natuurlijke producten. Ik probeer wel eens in een apart hok wat dingen uit en wanneer ik resultaat zie probeer ik dat verder te ontwikkelen. Zo is de Kurkuma korrel tot stand gekomen bijvoorbeeld.”

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat Herman een groot tegenstander is van blind kuren met medicatie (antibiotica) zoals in de duivenwereld toch nog steeds veel gebeurt. Ook waarschuwt hij voor het door elkaar gebruiken van allerlei producten. “Ik denk dat je door het blind kuren met antibiotica er meer aan verknoeit dan dat ze er beter van worden. Met een product als Duo kruiden elixer zal je minder medicatie nodig hebben. De duiven krijgen er meer weerstand door waardoor diverse ziekten voorkomen kunnen worden. Ik zal echter altijd de liefhebbers adviseren, om als er iets niet goed is met hun duiven, dat ze dan naar een dierenarts moeten gaan. Want Duo kruidenelixer is geen geneesmiddel! Hoe dan ook, nooit blind kuren, is mijn advies!! In plaats van allerlei zogenaamde voorbehoedende kuren moet men er alles aan doen om de natuurlijke weerstand van de duiven op een goed peil te houden. Ik ben er absoluut zeker van dat dit met de juiste natuurlijke producten, die de laatste jaren volop in de handel zijn, goed mogelijk is. Daarnaast regelmatig wat groente verstrekken als sla, boerenkool, ui en knoflook. De liefhebbers die zo te werk gaan zullen zien dat er nauwelijks meer tegen bepaalde ziektes (geel e.d.) gekuurd hoeft te worden. Zelf kuur ik zeker al 10 jaar niet meer tegen dergelijke ziektes.”

De afgelopen maanden ben ik een aantal malen benaderd door liefhebbers bij wie het helemaal niet meer wilde. De voorgaande twee á drie jaar werd door deze liefhebbers heel redelijk gespeeld, maar in dit zware seizoen raakten ze bijna meer duiven kwijt dan dat ze prijzen speelden. Bij het zoeken naar de oorzaken stuitte ik al snel op voedingsschema’s waarbij in mijn ogen lukraak diverse voedingssupplementen door elkaar werden gebruikt. Oorspronkelijke schema’s van voerfabrikanten (die in mijn ogen ook al veel te ruim strooiden met bijproducten) werden aangevuld met producten van andere fabrikanten, wat dan ook nog eens een zelfde soort product bleek te zijn. Zo werden bijvoorbeeld bij drie liefhebbers gelijktijdig twee middelen om het water aan te zuren verstrekt. Bij de één werd het water daarna nog gecontroleerd op de zuurgraad, maar bij de andere twee niet. Het spreekt vanzelf dat zo’n handelswijze meer goed dan kwaad doet. Ik vroeg Herman of hij dit soort praktijken herkent. “Ja zeker. Omdat ik jaren een duivensportwinkel heb gehad kijk ik nergens meer van op. Je kan niet vaak genoeg zeggen dat je bij het toedienen van voedingssupplementen absoluut de voorschriften moet volgen en niet zo maar lukraak wat door het voer moet mengen of in het water gooien. Alles waar TE voor staat is nooit goed. Men moet niet de mening zijn toegedaan, dat wanneer er op het etiket staat 1 ml per liter, dat dan 5 ml wel 5x zo goed zal zijn. Helaas kom je dat toch vaak tegen. Het grote verschil met de grote mannen in onze sport is, dat deze meestal wel weten wat ze doen. Sommige mensen weten net iets meer dan de gemiddelde liefhebber, maar komen daar niet altijd voor uit. In die jaren dat ik de duivensportzaak had, waren er liefhebbers die voor een bepaald product kwamen. Als er concurrenten in de winkel waren die niet mocht weten dat ze dit gebruikten, werd er op een later tijdstip terug gekomen.”

Tot slot een link naar de website van Herman www.traseco.nl


12 juli 2018

Jorg Kuhne – Dresden (Dld) / Saksische Vleugelduiven

Dit is inmiddels het 10e jaar dat ik als de-duivencoach.nl actief ben. In de afgelopen jaren heb ik naar schatting zo’n 1500 postduivenliefhebbers in ons land bezocht/ontmoet. Dat is ongeveer 10 % van het aantal postduivenliefhebbers dat ons land tegenwoordig nog telt. Eén van de mooie kanten hiervan vind ik is dat ik zodoende op de meest bijzondere plekken terecht kom. In die bijna 10 jaar ben ik in heel wat gehuchten en dorpjes  geweest waarvan ik dikwijls het bestaan niet kende. En dikwijls realiseer ik me daarbij dan ook dat Nederland veel mooie streken kent. Wat natuurschoon betreft hoef je zeker niet naar het buitenland. Toch mag ik ook graag buitenlandse reizen maken. Omdat ik niet alleen in postduiven ben geïnteresseerd, maar in alles wat duif is, probeer ik tijdens zo’n buitenlandse vakantie altijd een fokker van een soort of ras te bezoeken dat ik nog nooit of slechts zelden heb gezien. Dit keer was ik in het oosten van Duitsland op vakantie, in de deelstaat Saksen. Dit gebied staat er om bekend dat hier veel sierduivenrassen vandaan komen. Saksen is binnen de sierduivenwereld vooral bekend om zijn kleurduivenrassen. Tot de redelijk bekende Kleurduivenrassen die uit Saksen komen behoort onder andere de Saksische Vleugelduif. Omdat ik had gelezen dat in Dresden één van de meest bekende fokkers van dit ras woont, besloot ik om deze fokker te bezoeken. Het betreft de 51 jarige Jorg Kuhne die al vanaf zijn 11e, dus inmiddels 40 jaar dit ras fokt.

De Saksische Vleugelduif behoort dus tot de kleurduivenrassen en is een mooie verschijning. Met en zonder kap, maar altijd met grote veren aan de poten. Vooral dat laatste is een kenmerk van de meeste Saksische sierduivenrassen. De Saksen waren namelijk grootmeesters in het creëren van rassen met een goed ontwikkelde voetbevedering. Maar juist vanwege die voetbevedering is het een moeilijk te fokken ras zodat vele sierduivenliefhebbers zich hier niet aan durven te wagen. Toch bestaat dit ras al zo’n driehonderd jaar. Vanwege de grote voetbevedering zou dit ras zonder menselijk ingrijpen echter niet kunnen bestaan. Het treden van de duivin is op zich met die enorme voetbevedering al nauwelijks mogelijk. En mocht het dan in een zeldzaam geval toch nog lukken om de eieren te bevruchten zouden deze platgetrapt of uit het nest geschopt worden. Fokkers als Jorg beseffen dit maar al te goed en doen hun uiterste best om deze rassen voor het nageslacht te kunnen bewaren. En dat is niet eenvoudig. Naast een intensieve verzorging waaronder het kort knippen van de voetbevedering in het kweekseizoen, zal je veel kennis dienen te hebben van erfelijkheidsleer. Aan het koppels zetten gaat een grondige planning vooraf en dan nog is een percentage miskweek van 50 % heel normaal. Wat dat betreft is het niet anders dan in de postduivensport waar ook veel meer slechte dan goede postduiven worden gekweekt. Het is een grote uitdaging om duiven te kweken die de juiste kenmerken behouden. En daarnaast zijn ook de diverse duivenziektes er de oorzaak van dat er jaarlijks maar weinig topdieren overblijven. Een sterfte onder de jonge duiven van 10 % is geen zeldzaamheid. Het is een kwetsbaar ras dat niet beschikt over een grote natuurlijke weerstand. Vooral dit jaar is er bij Jorge en veel collega fokkers een groot percentage jonge duiven gestorven aan het Circo-virus.

     

Er zijn maar liefst 20 verschillende kleurslagen bij Saksische Vleugelduiven. Hiervan fokt Jorg er 5 te weten zwart, rood, blauw, blauw geschubt en zilver. Er worden veel eisen gesteld aan de Saksische Vleugelduiven. Niet alleen aan de tekening en de kleur, maar ook aan de  kop en de voorhoofdsnip, de voet- en schouderbevedering, de vleugelbanden en de kleur van de snavel worden hoge eisen gesteld. Je moet van goede huize komen om een flink percentage jongen te kweken die aan al deze eisen voldoen. Wanneer je er dan ook nog in slaagt om een kampioen te kweken zal je daarnaast ook over heel veel geduld en doorzettingsvermogen moeten beschikken. Het zijn er maar enkelen in deze huidige tijd waarin alles snel moet en er liefst direct succes geboekt moet worden, die zoveel geduld en toewijding kunnen opbrengen. En dat geldt niet alleen voor het kweken van deze mooie duiven, maar ook om deze duiven te kunnen exposeren moet je al weken van te voren beginnen met ze voor de show geschikt te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het trekken van beschadigde veren aan de poten. Zoals gezegd behoort Jorg tot het kleine aantal gedreven fokkers die streeft naar perfectionisme en dat ook beloond ziet in prestaties. Hij heeft meerdere malen de schoonste Saksische Vleugelduif van heel Duitsland gefokt. Ook won hij drie jaar geleden de wereldtentoonstelling met een zilverkleurige. Op die show waren alle Saksische rassen te zien, in totaal zo’n 1600 duiven. Op de jaarlijkse show in Zwonitz worden ongeveer 400 Saksische Vleugelduiven tentoon gesteld. In de goed gevulde prijzenkasten en aan de muren is het resultaat van zijn inspanningen duidelijk zichtbaar. Ik heb veel respect voor mensen als Jorg die er voor zorgen dat een dergelijk sieraad van de sierduivenliefhebberij voor de toekomst bewaard blijft.


6 juni 2018

Frans de Rooij – Wijk bij Duurstede / De gewone liefhebber.10 (slot)

Inmiddels is dit de 10e en laatste column/minireportage in de serie columns/minireportages over de gewone liefhebber(s). Ik sluit deze serie af met de 52 jarige Frans de Rooij uit Wijk bij Duurstede. Frans heeft al vanaf zijn jeugd duiven. Zijn vader en drie van diens broers hebben of hadden ook postduiven en ook Frans zijn beide broers zijn met het duivenmelkersvirus besmet. Ook Frans is net als de 9 voorgaande collega duivenmelkers in deze serie vooral een liefhebber die het meest geniet van de omgang met zijn duiven en het zien thuiskomen van zijn duiven van een vlucht. Aansprekende kampioenschappen heeft hij in zijn bijna 40 jarige duivencarrière nooit behaald, maar ook dat is nimmer een doel van Frans geweest. Wel kan hij terugkijken op diverse hele mooie uitslagen. Helaas dateren deze al van geruime tijd geleden zoals de uitslag van nationaal Orleans jonge duiven 2001 waarbij hij verschillende prijzen bij de eerste 100 nationaal draaide. Ook bewaart Frans mooie herinneringen aan zijn duif “de Den”” die zelden zijn prijs mistte en voor Frans jarenlang een vaste waarde op zijn hok was. Deze doffer was in een aantal jaren bijna altijd zijn eerste duif en kreeg die naam van een clubgenoot die steevast vroeg of hij “de Den” weer voorop had. Deze duif voerde nog het Delbarbloed uit duiven van zijn oom Henny die deze eind jaren 70 en begin jaren 80 rechtstreeks haalde bij de oude Maurice Delbar zelf. In 2004 is Frans zelf nog bij de zoon van Maurice Delbar (Mick) een 20 tal jongen wezen halen, maar daar is hij niet zo succesvol mee geweest.

Een aantal items lopen als een rode draad door de voorgaande 9 columns over de gewone liefhebber(s). De vragen die ik Frans heb voorgelegd komen alle voort uit deze items en de reacties die ik van een aantal liefhebbers hierop kreeg. Deze items zijn; het geen of onvoldoende grip hebben op de conditie/vorm van de duiven, een tekort aan tijd en soms energie om het onderste uit de kan te kunnen halen, het verlies aan motivatie om een stapje extra te zetten in momenten dat het tegen zit, het gebrek aan (financiële) middelen om in (betere) duiven te kunnen investeren, een gevoel van moedeloosheid als de kampioen(en) in de club een hele serie duiven draaien terwijl bij henzelf de eerste duif nog moet komen, problemen met de ventilatie en het hokklimaat, verspelen van veel jonge duiven en onvoldoende kennis t.a.v. de enorme complexiteit van de duivensport.

In de eerste column over de gewone liefhebber gaf Rini Broers aan dat hij niet de middelen had om in duiven te investeren en zelfs nog nooit een duif gekocht had met uitzondering van zo nu en dan een bonnetje. Dat je in die situatie dan niet zo gemakkelijk aan topduiven zult komen mag duidelijk zijn. Ik vroeg Frans of hij dat herkent. “Ja, dat is beslist zo. Men moet je willen helpen. Dat is ook zo als je duiven ergens koopt, wat ik zo nu en dan wel eens doe. Ik kan me dan ook heel goed vinden in de uitspraken van Hennie Beumer (column 7), die zei dat mensen met een kleine beurs afhankelijk zijn van de goede wil van de liefhebber waar je aanklopt om jou de jongen uit zijn beste duiven te gunnen voor een redelijke prijs. Deze zal je in de regel alleen goede duiven verkopen als hij of zij een klik met je hebt.”

In de tweede column was Leo Hendriks aan het woord die aangaf dat er voor hem meer is dan alleen duiven en dat hij de tijd en energie er niet voor over heeft, om datgene te doen dat noodzakelijk is om in de winter op het podium te kunnen staan. Er zijn belangrijkere dingen dan duiven zoals mijn kleinkinderen en mijn gezondheid, zegt hij. Ook Toni Taskovic uit de 5e column gaf aan dat presteren in de duivensport niet ten koste mag gaan van zijn werk en zijn gezin. Ik vroeg Frans of hij zich hierin herkent. “Ja zeker. Ik ben het met deze heren helemaal eens. Er is meer dan duiven. Ik heb twee kleindochters en die zijn voor mij zeer belangrijk. Daarnaast heb ik nog een hobby en dat is sleutelen aan oude bromfietsen, met name van het merk Zündapp. En bovendien als je al jaren niet meer echt mee kan komen in de duivensport, gaat de scherpte er ook wel vanaf.”

In mijn column van april 2014 liet ik Jan Rutten aan het woord die aangaf de duivensport zo simpel mogelijk te willen houden. Dat hield voor hem in dat hij nauwelijks bijproducten en medicatie verstrekt. Ook Frans verstrekt behalve voer en een gritmengsel zelden bijproducten. “Ik weet niet eens van het bestaan af van de meeste producten en mijn medische begeleiding bestaat uit de verplichte enting tegen Paramyxo en na het vliegseizoen een kuur tegen Parathypus. En als de jonge duiven ornithose hebben geef ik ze een kuur met BS of Ornirood.” In de huidige tijd kun je je met deze simpele wijze van verzorging niet meer meten met de zogenaamde professional die niets aan het toeval overlaat. Deze zullen je dan ook regelmatig bijna of helemaal van de uitslagen vliegen, als je de pech hebt dat een dergelijke kampioen bij je in de vereniging zit. Daar moet je wel tegen kunnen. Liefhebbers Chris Schonewille (column 4) en Boele koops (Column 6) gaven aan dat ze hier soms wel moedeloos van konden worden. Zeker als ze zelf het gevoel hadden er alles aan te hebben gedaan. Dit is voor Frans ook heel herkenbaar. Er zijn diverse momenten geweest dat Frans het bijltje er bij neer wilde gooien. Ook is hij al eens een tijdje gestopt, maar hij kon toch niet zonder duiven.

In column 8 van december 2016 gaf Henk Vink aan de afgelopen jaren veel jonge duiven te verspelen. Ook dit zie en hoor ik veel als oorzaak om met de duivensport te stoppen. Hij zocht hiervan de oorzaak vooral bij zichzelf, in een tekort aan aandacht. Ook Frans raakte de afgelopen jaren soms meer dan de helft van zijn jonge duiven kwijt. “Ik denk dat het bij mij meer in mijn hok zit. Te vochtig en te weinig frisse lucht. Daar ga ik wat aan doen.” Albert Lensen (column 9) en Toni Taskovic (column 5) vinden het in vorm krijgen van hun duiven en deze te kunnen vasthouden één van de moeilijkste zaken van de duivensport. Sowieso is de duivensport niet gemakkelijk gaven beiden aan en ook menige herstarter die ik de afgelopen jaren sprak beaamde dat. Ook Frans sluit zich hier bij aan. “Ja, als het goed gaat denkt iedereen te weten hoe dat komt. Maar als je het lek niet boven krijgt, is het zoeken naar een speld in een hooiberg. Er zijn zoveel mogelijke oorzaken te benoemen zoals het hokklimaat, de kwaliteit van de duiven, een sluimerende ziekte en noem maar op.”

Tot zover Frans de Rooij, één van die gewone duivenliefhebbers die ik graag wat meer succes zou gunnen. Als deze categorie liefhebbers niet voor de sport behouden blijft, wat blijft er dan van de duivensport over is voor mij de grote vraag.


9 mei 2018

John Logemann - Engelum / Schrijvers over de duivensport.7

Alweer mijn zevende column met een schrijver over de duivensport in de spotlights. Deze keer is dat de 54 jarige John Logemann uit Engelum. John is bekend van zijn blog “door de ogen van een duivenmelker” waarin hij zijn belevenissen en gedachtenspinsels over de duivensport deelt. John heeft vanaf zijn vroegste kinderjaren al duiven met een kleine onderbreking aan het eind van de jaren tachtig, toen hij het ouderlijk huis verliet en op zichzelf ging wonen. Hij heeft de duivenmicrobe van huis uit meegekregen. Zijn vader was een hartstochtelijk kleindierenliefhebber. Van zijn vader heeft hij ook de liefde voor andere duiven dan postduiven meegekregen, namelijk voor sierduiven, te weten Holle Kroppers. Met de Holle Kroppers heeft John diverse erecertificaten op grote Nationale shows behaald. Zijn hoogtepunt was dat hij de beste Holle Kropper had op Avicultura, destijds het Nederlands Kampioenschap. Die doffer stond in de ere galerij. Je kunt rustig stellen dat John met zijn Holle Kroppers gewonnen heeft wat er te winnen valt. Maar ook met postduiven heeft John ook altijd aardig uit de voeten gekund. In zijn jonge jaren toen hij nog in Enkhuizen woonde had hij bijvoorbeeld de 81-1372510 die 4 x een 1e in de club op de midfond vloog en 12 x bij de eerste 10. En meer recent op zijn huidige woonstek in Engelum won hij teletekst op Ruffec en meerdere vroege prijzen op nationale vluchten.

Bij postduivenliefhebbers is John dus vanaf medio 2014 vooral bekend vanwege zijn blog op internet over postduiven. Toch schrijft John al veel langer over duiven. Over de Holle Kroppers schreef John in het verleden namelijk diverse artikelen. Zo schreef hij behalve in diverse clubbladen ook in buitenlandse sierduivenbladen zoals Pure Bred Pigeons (USA) en Geflugel Borse (Duitsland). Ook heeft John nog een periode een Engelstalige website gehad over de Holle Kropper. Met die website is hij gestopt omdat daar teveel werk in ging zitten. Omdat schrijven ook een liefhebberij van hem is, maar hij zich niet (meer) wilde beperken totdat alleen duiven, maar ook in de wereld daar omheen, is hij met zijn blog gestart die inmiddels tussen de 1000 en 1500 vaste lezers heeft . “Ik schrijf voor mijn plezier en met een bredere scope dan alleen duiven. Ik wil niet alleen schrijven over wat er op mijn eigen hok gebeurt. Mijn onderwerpen komen overal vandaan. Ik denk er niet echt over na. Ik hoor of zie wat en dat gaat dan een eigen leven leiden. Ik zit niet een hele week op een onderwerp te broeden.”  John zijn blogs vallen op door zijn positieve inslag. Hij is iemand voor wie het glas altijd half vol is, terwijl dat voor verschillende andere schrijvers altijd half leeg lijkt te zijn. “Ik wil naar het positieve kijken in plaats van naar het negatieve en daar wat van proberen te leren. Ik heb een hekel aan gezeur, altijd gehad. Ik wil altijd het goede zien en vooruit kijken. Dat laatste gaat niet als je de donkere kanten voor ogen houdt, hoewel het bij mij ook wel eens tegen zit. Maar ik probeer daar snel over heen te stappen. Het leven is te kort. Maar ja, ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.” Net als Coen Brugman in de vorige column, is ook John niet zo blij met de mensen op Facebook die zonder nadenken van alles over de duivensport plaatsen waarmee ze soms de duivensport een slechte dienst bewijzen. “Zoals gezegd. Ik hou niet van negativisme, zeker niet als je het openbaar maakt, zoals via FB. Uiteindelijk wordt het als een boemerang terug op je eigen bordje gelegd, met de nodige heisa, jammer van de energie. Kijk liever naar wat je wel hebt of kunt bereiken. Als je met twee vingers naar iemand wijst, moet je er zeker 3 op jezelf hebben gericht.”

Het bovenstaande is kenmerkend voor John en hoe hij de duivensport beleeft. In zijn blogs vindt je doorgaans weinig kritiek op mensen. “Ik schrijf over de duif en de duivensport met de mensen die erbij horen. Zowel voor de gemiddelde liefhebber als voor de grote jongens. Ze hebben gemeen dat ze allemaal een duif in het hart hebben. De gemiddelde duivenliefhebbers vormen voor mij echter de ruggengraat van de duivensport. Dat zijn vooral die mensen die best graag vooruit willen, maar die op de eerste plaats willen genieten van hun duiven als ze thuis komen van een vlucht. In zekere zin zijn dit gelijkgestemden. En mensen die gelijk gestemd zijn zoeken elkaar vaak op. Maar juist dat gaat niet helpen om beter te worden in de sport. Je moet zoeken naar een uitdaging, dan ga je stappen maken. Maar uitdagingen worden meestal niet gezocht door deze mensen. En daar is niks mis mee! Ieder moet er uithalen wat hij zelf wil, de lat bepaal je zelf toch? Hou vooral in ogenschouw dat je plezier hebt in wat je doet, dat is uiteindelijk de grootste drijfveer om met iets bezig te zijn. En dat plezier haal je onder andere uit de omgang met je dieren, met je medemelkers, van af en toe een mooie uitslag, van mooi weer met schitterende aankomsten, van een lachende partner en nog veel meer. Dat geldt ook voor mijzelf. Mijn sociale leven speelt zich voornamelijk af in de duivensport, omdat ik verder weinig tijd heb voor andere hobby’s. Ik heb dus veel “gewone” liefhebbers in mijn kennissen en vriendenkring. Die zou ik niet willen missen. Hieronder zijn zijn de meest kleurrijke mensen en die geven het leven kleur.” Je zou op grond van het vorenstaande John kunnen typeren als een mensenmens. Uit verschillende blogs van John komt hij echter ook naar voren als een natuurmens. Dat beeld klopt zegt John. “Ik ben een groot liefhebber van natuur en landschap, van alles wat leeft, groeit en bloeit. Zo kan ik bijvoorbeeld enorm genieten van het zingen van de vogels in de vroege ochtend. Ook ga ik graag met een camera in de hand op pad om vast te leggen wat er in het landschap gebeurt met flora en fauna. Maar de duif zit echt in mijn hart.”

John lijkt altijd op zoek naar het verhaal achter de dagelijkse dingen. Hij denkt over veel zaken ook diep na. Je kunt hem dan ook nauwelijks betrappen op een ongenuanceerde mening. Het ligt dan ook voor de hand dat John zelf ook veel gelezen heeft over de duivensport. “Dat is juist. Ik heb erg veel gelezen waarbij mijn interesse vooral uitgaat naar informatieve, wetenschappelijke artikelen over oriëntatie bij postduiven of genetica bij sierduiven. Waarom genetica bij sierduiven? Omdat in de sierduivenwereld veel meer aandacht voor genetica bestaat dan in de postduivenwereld. Op internet is trouwens genoeg leerzaams te vinden over duiven. In veel artikelen vind je wel iets dat je kunt gebruiken of in ieder geval kunt overdenken.”  Uit het voorgaande kun je wel opmaken dat John zelf geen doorsnee duivenliefhebber is. Duivenliefhebbers als John met een grote interesse in wetenschappelijke artikelen zijn niet zo dik gezaaid. Ik kom ze sporadisch tegen en zie dat ook terug in de aantallen lezers van mijn columns. Hoe informatiever het onderwerp, des te minder wordt het gelezen. Herkent John dat? “Jazeker! Men leest liever verhalen over beroemdheden in de sport of beroemde duiven en natuurlijk over het zoveelste geheime supermiddel. Over geheimen gesproken; die zijn er niet. Het gaat in de duivensport om een goed hok, goede duiven die gezond zijn en een melker die er alles voor over heeft en geen domme dingen doet. Zoek het vooral niet in flesjes of potjes! Zelf verstrek ik ook nauwelijks bijproducten. Het belangrijkste is voer van een goede samenstelling, vers grit, roodsteen en mineralen en een beetje snoepzaad. Daarnaast zit in het drinkwater regelmatig knoflook, in de winter geef ik een kuur met een 4 in 1 middel, in het voorjaar de jaarlijkse enting en af en toe een druppel tegen luis. Dat is het. En volgens mij is meer ook niet nodig.”

Wanneer je het bovenstaande leest, hetgeen in feite neer komt op het promoten van een heel eenvoudige manier van verzorging, zou je tot de conclusie kunnen komen dat John wars is van de commercie in de duivensport. Het tegendeel is echter waar. Hoewel de producenten van  medicatie, kruidenelixers en vitaminepreparaten, evenals de dierenarts en de grote duivenhandelaren, van John zelf niet rijk zullen worden, is de commercie in de duivensport volgens John hard nodig. “Commercie is nodig om de sport van de nodige financiën te voorzien, subsidies ga je niet krijgen. De mensen die eraan verdienen zijn ook grote sponsoren van de sport. De veel gehoorde kreet dat de commerciële jongens de sport kapot maken is in mijn ogen onzin. Vaak wordt het als excuus gebruikt om het eigen falen niet onder ogen te hoeven zien. Duivensport moet "sexy" worden, een nieuw publiek gaan aanspreken. Dat lukt niet op de manier die we nu hanteren. One Loft Races zijn misschien een mogelijkheid, maar dan zou er veel meer spektakel moeten zijn, iets wat je in de media kunt verkopen. Dat is er nu niet. Wat wel een goede magneet is, zijn de prijzen die voor onze duiven worden betaald, dat kan een drijfveer zijn om erin te stappen voor ondernemende jongeren. Dat kan er mede voor zorgen dat de sport overeind blijft. Duivensport zal nooit helemaal verdwijnen, maar ik verwacht nog wel verdere teruggang.”

Tot zover John Logemann. Voor wie meer van zijn hand wil lezen verwijs ik graag naar zijn blog http://www.postduivenblog.nl/


15 april 2018

Tiemen van Velde – Wapenveld / Toekomst van de duivensport.6

In deze inmiddels zesde column over het onderwerp “toekomst van duivensport”, deze keer geen (ex) NPO medewerker of iemand met bestuurlijke ervaring aan wie ik mijn vragen heb voorgelegd. Maar dit keer een gewone liefhebber die sinds kort gepensioneerd is en daardoor meer tijd voor de duivensport heeft en die zich net als veel anderen zorgen maakt over het voortbestaan van de duivensport. Dit is een onderwerp waar velen een mening over hebben. Wanneer je de columns/minireportages terug leest met de voorgaande 5 liefhebbers met wie ik over dit onderwerp sprak, zie je behalve overeenkomsten ook dat een ieder de nadruk op een ander aspect legt. Zo gaf Jurgen Menkhorst, die een paar jaar bij de NPO op het bureau heeft gewerkt, aan dat het inspelen op nieuwe wetenschappelijke inzichten en het gebruik maken van nieuwe kennis en technieken, noodzakelijk is voor de duivensport om te overleven. Hij vindt dat hier tot nu toe te weinig gebruik van wordt gemaakt. Tony Berlijn, die het lef had om een nieuw duivensportblad uit te brengen, noemde als één der oorzaken waarom steeds minder mensen warm lopen voor de duivensport, het feit dat de duivensport dikwijls alleen maar negatief in het nieuws is. Er wordt naar zijn mening te weinig positief over de duivensport geschreven. Gerhard Bolks gaf aan dat de meerderheid in onze huidige maatschappij gericht is op simpel vermaak, zonder dat je er veel inspanning voor hoeft te leveren. In zo’n maatschappij past geen duivensport waarbij je alleen succesvol kunt zijn als je je voor 100 % inzet. Henk Ouderdorp sloot zich hierbij aan en noemde de duivensport een tijdrovende sport die steeds moeilijker is in te passen in het hedendaagse levenspatroon. Ook Gerrit en Christiaan Beelen gaven aan dat in het verzorgen van de duiven erg veel tijd gaat zitten, wat met een fulltime baan soms lastig is te combineren. Alleen omdat ze het samen doen en de taken verdelen is het op te brengen, gaven zij aan. De genoemde oorzaken dragen allemaal een deel van de oorzaak en ook een mogelijke oplossingsrichting in zich. Waar ze het echter alle 5 over eens zijn is dat het toenemend aantal roofvogels in ons land een grote bedreiging is voor het voortbestaan van de duivensport.

De 68 jarige Tiemen van Velde uit Wapenveld kan hier over meepraten. Tiemen die woonachtig is in een bosrijk gebied in de IJsselvallei aan de rand van de Veluwe, ondervindt ook veel overlast van de roofvogels. Tiemen die vanaf zijn 9e jaar duiven heeft en met een onderbreking van een paar jaar, ook bijna altijd heeft meegevlogen, voor zover zijn werk dit toeliet; “Er zijn altijd wel roofvogels geweest in dit gebied. En er werd ook wel eens een duif gepakt, maar wat je nu ziet is niet normaal meer. Op sommige momenten als ik mijn duiven los heb, jagen er wel drie roofvogels tegelijk op de duiven. Het is ongelofelijk als je dat ziet en je houdt je hart vast. Je durft ze gewoon niet meer los te laten. Het is een echte plaag geworden. Ik kan niet begrijpen waarom er zoveel nestkasten voor Slechtvalken worden geplaatst. Alleen al in Zwolle zijn er drie vaste broedplaatsen bekend, namelijk het gebouw van For Farmers, een zendmast langs de Vecht en bij de IJsselcentrale. Dat is toch veel te veel? En dan broeden hier in de buurt ook nog een paar koppels Haviken. Iedereen met een beetje verstand van de natuur ziet toch dat dit uit de hand is gelopen? De natuur in ons land moet beheerd worden, anders loopt het uit de hand. Kijk maar naar het grote aantal wilde zwijnen hier in de omgeving en wat er afgelopen winter speelde met de grote grazers bij de Oostvaardersplassen. Ik heb ook beslist geen hekel aan roofvogels maar ik pleit dus voor een normale populatie roofvogels die beheerd wordt.”

Een van de andere genoemde oorzaken van de terugloop van de duivensport is dat er veel tijd mee gemoeid is. Vooral wanneer je ook iets wilt presteren. Dat geeft Tiemen ook aan. In de jaren 80 kon hij werk en duivensport beter combineren dan tijdens de afgelopen 25 jaar. In die periode, vooral tussen 1986 en 1990, werd menige mooie uitslag gemaakt. Vooral op de wat verdere afstanden, bijvoorbeeld op Bergerac. Zo vloog hij ooit een 2e van de afdeling op Bergerac met een duif die op het programma altijd te laat kwam. Omdat Tiemen altijd moeite had om duiven weg te doen, speelde hij hem op Bergerac met genoemd resultaat. Dit gebeurde hem later ook nog eens. Tiemen had een duif met roze oogranden waarin waarschijnlijk nog wat Janssen A. bloed zat. Hij zag wel iets in deze duif. Maar na minstens 30 x te zijn ingekorfd zonder ooit op de uitslag te hebben gestaan, was het geduld bij Tiemen toch op. De duif werd ingekorfd op Bergerac en tot zijn grote verbazing speelde die een 1e in de cc. Deze duif werd daarna nog 3 à 4 jaar op de fond gespeeld en mistte daarop nooit meer prijs. Tiemen is zijn hele leven al werkzaam in de horeca en heeft jarenlang een eigen zaak gehad. “Op een gegeven moment kon ik nauwelijks nog tijd voor de duiven vrij maken. Vooral ’s avonds en in de weekeinden moest ik op de zaak zijn. Dus wanneer er moest worden ingekorfd en de klok moest worden afgeslagen, en natuurlijk op de vluchtdag zelf moest ik steeds vaker verstek laten gaan. In de 90er jaren heb ik toen op een paar duiven na alles verkocht. Hierbij zat ook de 700, de beste duif die ik ooit gehad heb. Dat ging me wel aan mijn hart maar ik kon het gewoon niet meer bijhouden. Ik heb gedurende een aantal jaren toen alleen duiven voor de aardigheid gehad en speelde niet meer mee. Later heb ik de draad weer opgepakt, maar op een laag pitje. Sinds kort ben ik met pensioen en kan ik weer wat meer aandacht aan de duiven geven. Mijn streven is om in de nabije toekomst weer leuk mee te gaan doen. Net als in de jaren tachtig zal het accent op de dagfond en overnachting worden gelegd. Dat past het beste bij me. Ik heb het karakter van een fondspeler.”

Wanneer ik schrijf over de toekomst van de duivensport bedoel ik daarmee de toekomst van de duivensport in ons eigen land. Recent is onze sport op de lijst Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed komen te staan. Dit heeft weer wat positieve aandacht voor de postduivensport opgeleverd. Daarnaast is de duivensport momenteel in het nieuws vanwege het grote aantal duiven dat door roofvogels wordt gepakt. Dit soort aandacht zal niet meteen honderden nieuwe leden opleveren, maar alle aandacht voor de duivensport is meegenomen en uiteraard vooral als dat positief is. In dat opzicht denk ik dat Tony Berlijn zeker gelijk had toen hij aangaf dat de duivensport vaker positief in het nieuws moet komen. Hier ligt niet alleen een verantwoordelijkheid voor de NPO maar ook de liefhebbers zelf kunnen hier invloed op uitoefenen. Een mooi voorbeeld vond ik de uitzending op Omroep Flevoland vorig jaar waarin de twintiger Jelissa van Ooijen-Kollen uit Marknesse liet zien hoe zij de duivensport beleeft. Zij gaf aan als kind begonnen te zijn en geen familieleden met duiven te hebben. Dat zie je tegenwoordig maar zelden. De meeste jonge liefhebbers hebben de liefhebberij van een familielid meegekregen. Ook Tiemen die destijds door de man van zijn oudere zus met de duivenbacil is besmet. Dit was de heer Roke in Heerde, destijds een goede vlieger. Ik vroeg Tiemen waar volgens hem de nieuwe leden vandaan moeten komen, bij de jeugd of wellicht bij gepensioneerden. “Ik geloof niet dat in de huidige tijd de duivensport de jeugd veel te bieden heeft. Die willen doorgaans snel succes zien en dat zal op een enkele uitzondering na, niet gaan lukken. Maar daar tegenover staat dat er zoveel oudere mensen zijn die niets te doen hebben. Je hoort en leest regelmatig over ouderen die na hun pensioen in een zwart gat zijn gevallen. Voor zulke mensen kan de duivensport veel betekenen. Met postduiven val je nooit in een zwart gat. Er is altijd wat te doen. En daarnaast zijn de ontspanning en de rust die het omgaan met duiven je geven van onschatbare waarde. Maar het moet wel hobby blijven, anders is het gedaan met de ontspanning. De meeste jongeren die met de duivensport beginnen willen presteren en ’s winters op het podium staan. Die drive om te willen winnen en daar alles voor over hebben, zullen de meeste ouderen niet meer zo hebben.”

Ik denk dat Tiemen met het bovenstaande zeker gelijk heeft. Ouderen blijven actiever als ze duiven hebben. En duivensport is een goed middel tegen eenzaamheid. Enerzijds door de contacten die je door de duivensport hebt en anderzijds vanwege het contact met je duiven. Toch zijn er ook maar weinig ouderen die met de duivensport beginnen. Ik vroeg Tiemen of hij een idee had hoe dat zou komen. “Persoonlijk vind ik dat er niets mooier is dan postduiven houden. Maar in de duivensport gaat er veel geld om en dat schrikt veel ouderen af. Van een gemiddeld pensioentje kun je immers geen gekke dingen doen.  En als ze horen van de enorme bedragen die er soms voor duiven betaald worden, ontstaat al snel de gedachte dat de duivensport niets voor hen is. Ten onrechte dus! Als deze doelgroep zou beseffen dat ze zonder al te grote doelen te stellen ook heel veel plezier aan de duivensport zouden kunnen beleven, zouden er beslist meer gepensioneerden met duiven beginnen. Maar nu zien en ervaren ze dat de mindere goden altijd een stapje achter lopen. Deze kunnen het niet bijhouden. Met wat meer aandacht hiervoor en door zich te verplaatsen in de beginnende liefhebber, die niet in het computertijdperk opgegroeid is, en een niet al te volle beurs heeft, zou er vanuit de verenigingen veel gedaan kunnen worden om de duivensport te behouden.”

Tot zover Tiemen die tot slot nog opmerkt dat hij hoopt dat de duivensport nog lang zal blijven bestaan. Dat sommige dierenbeschermingsorganisaties en de Partij voor de Dieren daar anders over denken, heeft volgens Tiemen ook een positieve kant en dat is er dat meer toezicht is op het welzijn van de duif. Het belang van de duif moet altijd voorop staan, vindt hij.


1 Maart 2018

Gert Jan Hendriks - Zuiderwoude / Maak de duivensport aantrekkelijker.3

Ruim 5 jaar geleden schreef ik mijn vorige column over dit onderwerp. Inmiddels is dit onderwerp actueler dan ooit en wordt er op Facebook, duivenforums, allerlei websites en in de duivensportbladen in termen van ongerustheid over het voortbestaan van de duivensport geschreven. Zelf schreef ik destijds dat er voor bij de duivensport betrokken mensen dikwijls geen plek is om dagelijks even binnen te lopen en over duiven te praten. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat wanneer zulke plekken er wel zouden zijn, de terugloop in leden zal afnemen en ook dat er zich verschillende herstarters zullen melden. Ik zie dan een multifunctioneel duivensportcentrum voor me waar niet alleen kan worden ingekorfd voor wedvluchten en doordeweekse trainingen, maar waar ook voer en duivensportartikelen worden verkocht, een centraal hok aan is gekoppeld waar dag en nacht duiven kunnen worden afgegeven (ook door particulieren) en slachtduiven kunnen worden gebracht. Verder zou er een duivenhok boven kunnen worden geplaatst waar liefhebbers die thuis geen duiven kunnen houden (eventueel in combinatie) vanaf kunnen spelen. Daarnaast fungeert zo’n duivensportcentrum als ontmoetingsplaats waar een ieder welkom is en diverse activiteiten kunnen worden georganiseerd. Op deze manier kun je ouderen bereiken voor wie de duivensport meer zin aan het bestaan kan geven. Zo’n duivensportcentrum is dan een plek om nieuwe vriendschappen op te bouwen en te onderhouden, tevens een vorm van tijdsbesteding (voorkomen van verveling) door de zorg aan de daar aanwezige duiven en het helpen met de bezigheden aldaar.

De afgelopen jaren heb ik met honderden mensen over het bovenstaande gesproken. Ik sprak er maar weinig die er op tegen zouden zijn als dergelijke duivensportcentra op termijn de plaats van de vereniging in zouden nemen. Een van de liefhebbers waarmee ik recent over dit onderwerp sprak is de 51 jarige Gert Jan Hendriks uit Zuiderwoude die samen met zijn broer Jeroen behoort tot de bekendere marathonspelers van Noord Holland. Gert Jan heeft een nuchtere kijk op de duivensport. De afgelopen jaren heeft de duivenliefhebber die de duivengroepen op Facebook een beetje volgt, regelmatig relativerende opmerkingen van zijn hand kunnen lezen bij discussies die een negatieve richting uit leken te gaan. Mede om die reden bracht ik hem afgelopen zomer een bezoek en vroeg ik hem om medewerking aan deze column. Gert Jan zit vanaf zijn 12e jaar in de postduiven. Hij vliegt sinds 1980 met zijn broer Jeroen in combinatie. Gert Jan en Jeroen zijn op jonge leeftijd in aanraking gekomen met de duiven. In 1980 begonnen ze met sierduiven en andere siervogels, daarna zijn ze door een opgevangen postduif met postduiven begonnen achter het ouderlijk huis in Halfweg. Ze zijn in 1988 begonnen om zich op de grote fond toe te gaan leggen en hebben zich sinds 2009 gespecialiseerd op de ZLU vluchten. Zowel op de middaglossing in de jaren negentig als op de ZLU zijn door hen mooie prestaties neergezet zoals het 2e kampioenschap middaglossing Marathon Noord, 2e nat. Perpignan duivinnen, 3e nat. Barcelona duivinnen, 4e nat. Barcelona, 4e nat. Perpignan, 5e nat. Perpignan duivinnen, 6e Nationaal Bordeaux, 7e nat. Dax, 8e nat. Bergerac en 9e nat Bordeaux.

De hedendaagse duivenmelker kun je mijn inziens ruwweg in drie categorieën verdelen, te weten; a. de traditionele liefhebber die tevreden is met het verzorgen van zijn duiven en blij is met een mooie uitslag of vroege duif, b. de fanatieke duivensporter die altijd met zijn duiven bezig is, die er heel veel voor over heeft om eind van het jaar ergens op een podium te staan en c. de commerciële vaak grote liefhebbers die menig concours oprollen. Gert Jan desgevraagd in welke categorie zijn broer Jeroen en hij zichzelf zouden plaatsen; “We zijn als liefhebber lastig in een hokje te stoppen, maar passen gedeeltelijk in categorie twee. Sowieso zijn we geen slaaf van onze duiven. Vandaar ook dat we ons richten op een paar vluchten per jaar. Een maand of 4 verzorgen we onze duiven optimaal en twee maandjes in de zomer gaat het gas erop. Onze motivatie en verzorging is dus erg seizoensgebonden. Maar als we meedoen, gaan we voor de eerste. Daarmee bedoel ik dan een eerste nationaal. En we doen er dan alles aan om dat doel te bereiken. Als we inkorven, willen we winnen en ons doel is dus om die 1e prijs te winnen! Maar...net zo belangrijk is de kunst (en daar zijn Jeroen en ik heel goed in) om meteen te kunnen schakelen en relativeren als blijkt dat dat er op die bewuste dag door bv de weersomstandigheden geen kans is op een topnotering. Het gaat niet ten koste van ons grote plezier in het spelletje. We winnen graag, maar verliezen hoort erbij. Vandaar ook dat je me NOOIT zult horen mekkeren over grote hokken, massaspelers, windrichting, gunstige ligging, enz., want al dat “gepiep” is negatieve energie! Het is all in the game! Maar buiten die vier maanden van extra inzet is het regelmatig een blikje voer erin, kijken of er nog water in de drinkpotten zit en de spoetnik los. Wel maken we ook dan iedere (!) dag een rondje langs de duiven en houden we een vinger aan de pols. En altijd even een praatje met ze maken en met een fijn gevoel de lievelingsduiven bekijken of even vastpakken.”

Dus 8 maanden van het jaar heeft Gert-Jan veel gemeen met de mensen voor wie het contact met hun duiven het allerbelangrijkste is. De afgelopen periode heb ik heel wat van deze liefhebbers gesproken. Zij gaven aan dat ze het goede gevoel dat de omgang met hun duiven geeft, niet graag zouden missen. Deze liefhebbers maakte het niet zoveel uit welke kant het met de duivensport uit gaat. Het dagelijks contact met hun duiven, dat is waarom ze duiven hebben en daarnaast het contact met hun duivenvrienden. Dit zijn de duivenliefhebbers die de duivensport beleven zoals Albert Jan de Jong, de voormalig voorzitter van de NPO in de vorige column bedoelde. Hij gaf aan dat duivensport structuur in de dag kan brengen, zorgt voor sociaal contact en zodoende een probaat middel tegen eenzaamheid kan zijn. Ik vroeg Gert Jan hoe hij dit ziet. “Is herkenbaar, maar bij ons staat de sport/het presteren voorop. Als we niet zouden vliegen denk ik niet dat we postduiven zouden hebben. Dan zouden een paar koppeltjes Duitse Meeuwtjes ook voor enorm veel afleiding en plezier kunnen zorgen. De fascinatie van het vliegen dat is machtig mooi en voor Jeroen en mij de motor van de duivensport. Daar zetten we ‘s zomers veel (niet alles hoor!) voor opzij gedurende die paar maanden. Daarom moet het voor ons ook niet langer duren dan die paar maandjes, anders zou het presteren ten koste gaan van (te) veel andere dingen, zoals de aandacht voor vrouw en kinderen bijvoorbeeld. Liefhebbers die het niet veel uitmaakt waar het met onze sport naartoe gaat begrijp ik echter niet. Ik zelf zou het doodzonde vinden als de duivensport niet meer zou bestaan! Maar ik herken zoals gezegd wel het goede gevoel dat het contact met de duiven je geven kan. En ook het sociale contact, het met duivenvrienden over duiven lullen. Heerlijk! Ik ken uiteraard ook de verhalen van gepensioneerde liefhebbers die soms meerdere keren per week een bakkie gaan drinken bij een clubgenoot. Bij sommigen zit op bepaalde dagen in de week de hele keuken vol met duivenliefhebbers. Maar daar ben ik nog te jong voor. Met mijn 51 jaar ben ik nog een jonkie in de duivensport.”

Aansluitend op het bovenstaande vroeg ik Gert Jan op welke doelgroep de duivensport zich zou moeten richten voor nieuwe aanwas. Je hoort nu nog regelmatig roepen dat de jeugd de toekomst heeft en dat de NPO zich hierop moet richten. Zelf heb ik hier mijn twijfels over en Gert Jan is het hierover met mij eens. “We moeten ons richten op de 60 plussers. Die hebben voldoende tijd. Als het meezit ook voldoende geld en een huis met een tuintje. De kinderen de deur uit, enz. Wat maakt het uit dat het een grijze hobby is? Niets! De meeste kinderen hebben vanaf hun 14e geen zin in duiven (meer). Dus als er een keer een verdwaalde jongen of meisje bij een duivenclub binnenloopt is dat mooi meegenomen, maar het is en blijft een uitzondering. De grote vraag is dus; “Hoe bereiken we die 60 plussers?”. En hoe maken we de duivensport aantrekkelijk voor deze mensen die niets van duiven weten en vaak nog geen duif kunnen vasthouden? Ik heb het dus niet over herintreders. Die vinden hun weg wel als ze dat willen.” En met deze vraag van Gert Jan zijn we weer terug bij het begin van mijn column waarin ik aangaf er rotsvast van overtuigd dat wanneer er op centrale goed bereikbare plaatsen multifunctionele duivensportcentra zouden zijn, de terugloop in leden een halt zou kunnen worden toegeroepen. Natuurlijk niet alleen hierdoor, maar de traditionele verenigingen hebben hun langste tijd gehad. Er moet nagedacht worden over hoe het nu verder moet, zeker nu steeds meer kleine verenigingen met opheffing worden bedreigd.

Over het bovenstaande doorpratend met Gert Jan; “Zo’n soort buurthuisfunctie voor oudere liefhebbers c.q. amateurs lijkt me zeker wel wat. Ondersteuning bij en van elkaar. Sociaal lekker in beweging blijven. Te combineren met de verkoop van duivenbenodigdheden (ondernemers in die branche krijgen het ook steeds lastiger). Kaartje leggen, bakkie koffie erbij, niet-liefhebbers kunnen ook binnenlopen. Daar kunnen liefhebbers in kleinere kring op 100-300 km vluchtjes met oude en jongen blijven concoursen zonder overheersing van enkele profs en semi-profs. Ook kunnen van daaruit de trainingsvluchten voor de marathonspelers worden georganiseerd. De toppers kunnen op een ander niveau de degens met elkaar kruisen. Ik ben voorstander van twee Champions League disciplines. Eentje voor de 400-800 km c.q. dagfond en eentje voor de 800-1300 km c.q. marathon. Regionaal / Provinciaal inkorven in bijvoorbeeld enkele inkorfcentra per regio/provincie en alleen nationaal spel. Van allebei de disciplines ongeveer 8 vluchten. Ieder weekend een vlucht, twee maanden lang in juni en juli. Dan 6 van de 8 vluchten laten tellen voor kampioenschappen. Mensen met een gezin kunnen 2 weken op vakantie in de zomer. Geen inkorfbeperking in de Champions League. Op allebei de disciplines zou ook internationaal gevlogen kunnen worden. Zoals bijvoorbeeld bij de Noordelijke Unie (NU) al gebeurt. En voor de zuidelijke provincies de samenwerking met België voor de 600km races zoeken.”

Tot zover Gert-Jan Hendriks over zijn sportbeleving en visie op de toekomst. (enkele maanden na mijn bezoek, is Gert Jan gestart met de veilingsite Pigeoncom.com, https://www.pigeoncom.nl wat een groot succes lijkt te gaan worden.)


7 februari 2018

Schatbewaarders / Ben Hendriks - Apeldoorn

Er zijn een aantal duivenrassen die zeer tot de verbeelding spreken. Een daarvan is het ras van Wanroy. Dit ras werd door wijlen Jef van Wanroy tussen 1950 en 1971 gesmeed en heeft grote impact gehad op de Nederlandse fondduif. Nazaten van beroemde Wanroys als de 90, het Hartje en de Spin zorgden tientallen jaren in binnen- en buitenland voor grote successen. Er zullen dan ook weinig duivenliefhebbers zijn die nog nooit van de naam Sjef van Wanroy hebben gehoord. Ook al heeft deze beroemdheid inmiddels al bijna 50 jaar geleden het tijdige met het eeuwige verwisseld. Een van de mensen die er voor gezorgd heeft dat de naam van Wanroy nog niet vergeten is in duivenland, is wijlen Jo Hendriks uit Twello en later Teuge. Naast dat hij wereldfaam verwierf met het winnen van de 1e Internationaal Barcelona op één van de verste afstanden, schreef hij het boek “Grote Fond in Nederland”. Hierin heeft hij de stamvorming van de Wanroys uitgebreid beschreven. Jo Hendriks heeft in 1996 een totale verkoop gehouden. Het merendeel van zijn duiven is toen in Azië terecht gekomen. Echter uit alle toppers en stamduiven zaten toen bij zijn zoon Ben al vele kinderen en kleinkinderen. Ook kocht Ben er zelf nog een paar op deze verkoping zoals de Marseilledoffer en de Spin 165.

Ben Hendriks is 75 jaar en zit zijn hele leven in de duivensport. Als zoon van Jo Hendriks die zijn hart aan de Wanroys had verpand, is het niet zo verwonderlijk dat Ben de liefde voor dit ras van zijn vader heeft geërfd. Hij heeft er zijn levenswerk van gemaakt om deze stam zo zuiver mogelijk te houden. Toen hij na jarenlang met zijn vader in combinatie te hebben gevlogen, voor zichzelf begon was dat met de Wanroys van zijn vader. Ben over deze voor hem vanzelfsprekende keuze; “Ik ben er mee doorgegaan, omdat het een kans voor open doel was, om met een unieke stam duiven een basishok te vormen. Duiven die zich in sportief opzicht al voor 100% bewezen hadden. En het feit dat deze duiven zich vooral met warm weer en kopwind lieten zien, sprak mij heel erg aan. Commercieel was het natuurlijk ook heel interessant, hoewel dat nooit mijn prioriteit is geweest. Sportieve redenen stonden voor mij als sportman altijd op de eerste plaats.” Ben startte voor zichzelf met een klein hokje van 2 meter in een halfsteens schuurtje. De eerste jaren speelde hij hierop met 12 weduwnaars het hele programma en twee hiervan waren bestemd voor de overnacht. “Beginjaren 80 bezorgde de 2 overnachtduiven mij het 6e Kampioenschap in de Marathon-Noord over St. Vincent, Dax en Bergerac. Vanaf dat moment heb ik me helemaal op de overnacht toegelegd. Die twee doffers waren mijn latere Stamdoffer de Fedor en zijn zoon de Gaston. Tot ver in de jaren 90 waren het de nazaten van de Fedor met zijn vaste duivin de Claudia die voor Ben prachtige successen binnen haalde. “In 1994 waren zaterdags om 18.00 uur bij snikheet weer op Barcelona 1 duif en op Dax 3 duiven door in deze regio. En 3 van de 4 waren van mij waaronder die Barcelonaduif. De 2e duif van Dax was van mijn vader. Dus 4 van Wanroys op deze loodzware vluchten door om 18.00 uur! Deze prestatie heeft naast de overwinning van mijn vader op Internationaal Barcelona het meeste indruk op me gemaakt.”

De Wanroys stonden er om bekend dat ze onder zware weersomstandigheden als hitte en wind op kop op hun best waren. Dit was voor wijlen Jo Hendriks eind jaren zestig de reden om bij Jef tientallen late jongen te halen. En in 1974 besloot hij om alle van Wanroys, die na diens overlijden waren gekocht door Anton van Haaren, over te nemen. Jo Hendriks was ervan overtuigd dat wanneer hij op de nationale fondvluchten op zijn afstanden kop wilde vliegen dat er maar één soort duif hiervoor geschikt was. Zijn vertrouwen in de van Wanroys werd niet beschaamd met als hoogtepunt de 1e internationaal Barcelona in 1980 op een afstand van 1245 kilometer en dat met een snelheid van 986 meter per minuut. Dat dit een hele zware editie van Barcelona was spreekt vanzelf.

Inmiddels is het 47 jaar geleden dat Jef van Wanroy overleed en 22 jaar geleden dat wijlen Jo Hendriks zijn Wanroys verkocht. Wanneer Ben zich niet als schatbewaarder van dit ras had opgeworpen zouden er nu hoogstwaarschijnlijk nog maar zeer weinig duiven zijn met een groot percentage Wanroybloed. Natuurlijk zijn die er nog wel, maar nadat Jan Lijnders een paar jaar geleden zijn Wanroys totaal verkocht, zijn het voor zover mij bekend alleen nog kweekcentra die nog grote aantallen van Wanroys bezitten. Het verschil tussen deze kweekcentra en Ben is dat hij er zelf nog mee speelt en er dus selectie plaats vindt. In de afgelopen jaren zijn er wereldwijd duizenden successen behaald met nazaten van de Wanroys. Daarvan hebben velen voorouders in hun stamboom die bij Ben of zijn vader zijn gekweekt. Op de website van Ben http://www.vanwanroy.com/ geeft Ben een opsomming hiervan, die uiteraard niet compleet is. Zo heeft Ben vanwege de taalbarrière bijvoorbeeld nooit gehoord wat er in China en Japan gepresteerd is met de nazaten van de duiven die bij zijn vader en hemzelf zijn aangeschaft. Het kan echter niet anders dat men ook daar succesvol was met de Wanroys.

Ook vandaag de dag nog is er veel vraag naar de Wanroys van Ben. Uit landen als Irak, Iran, Dubai en Saoedi Arabië is er vooral veel vraag naar de Bronzen. En in de ons omringende landen en Hongarije zijn nazaten van de 90 nog steeds populair. Hoewel Ben voor het vliegen zijn Wanroys de laatste jaren kruist met o.a. duiven van Jac Steketee, houdt hij de Wanroys ook zo zuiver mogelijk. Die laatste zware inteeltproducten zijn vooral voor de verkoop bedoeld. Ben; “Ik teel vooral in op mijn beste duiven tot nu toe, zoals de St. Vincentdoffer 755, waar met name in Duitsland sterk mee gespeeld wordt. Zo won Heinz Seegmuller de 3e Nationaal Barcelona en Kipp en Zn de 6e Nat. Barcelona. Beiden zijn gekweekt uit zonen van de 755 die bij mij aangeschaft zijn. Frank Gierens kweekte uit een zoon van de 755 met 5 duivinnen maar liefst 30 kinderen, die nationaal prijs wonnen op Barcelona en Perpignan. Bij mij zelf werd een zoon van hem (de 59) Asduif Overnacht in de kring Apeldoorn. Voor het vlieghok kweek ik twee rondes waarbij ik de Wanroys kruis. Daarna koppel ik de Wanroys tegen elkaar voor de verkoop van jongen. Dit is wel erg arbeidsintensief, maar ik doe het graag zo lang mijn gezondheid dit toelaat. Het zuiver houden van de Wanroys is voor mij net zo belangrijk als de sportieve prestaties.” Op veel hokken waar men vasthoudt aan oude rassen zie je dat de vliegprestaties van de nazaten hard achteruit gaan. Ik vroeg Ben dan ook of hij niet bang is dat hij door de langdurige inteelt op oude toppers, ook slechte ongewenste eigenschappen vast legt. Ben; “Ik denk het niet omdat ik nu vooral inteel op de nazaten van de 755 en de Barcelonaduivin (beiden voeren ook ander bloed). Daarnaast ben ik een liefhebber van compensatie-kweek! En koppel dus niet 2 op elkaar lijkende duiven op elkaar. En slechte eigenschappen als een matige rug probeer ik er op die manier uit te kweken.”

Hieronder een deel van een dagboekpagina van wijlen Jef van Wanroy uit 1967 met hierop een aantal duiven waarvan de nazaten nog als een rode draad door diverse fondkolonies lopen, zoals de Westerhuis en de 90, maar ook de 66-902 (via de 150 en de 212 van Anton van Haaren), de Marseille (via de Kleine Donkere 59), het koppel 306 x 705 als ouders van de Spin (via o.a. de gebroeders Kuypers) en de 66-995 de Gek (via o.a. de Chantal van J. Hendriks.)

Ben geeft aan dat hij ook heeft getracht wat meer snelheid in zijn Wanroys te brengen en vooral het vermogen om bij zeer hoge snelheden ook kop te vliegen. “Hier heb ik niet zo veel geluk mee gehad. Ik kocht bijvoorbeeld voor flink wat geld de “Speedy Gonzales” een doffer met een uitzonderlijk goed oriëntatie vermogen, die ook met slecht weer een waslijst aan ereprijzen won op de vitesse en midfond en op twee dagfondvluchten een kopprijs won in groot verband. Het jaar daarop lag hij ‘s morgens dood op de vloer. Hij was in het hok ergens tegenaan gevlogen luidde de diagnose van de dierenarts. Dat is dus echt pech hebben. Ook kijk ik wel om me heen naar goed presterende duiven met een Wanroy achtergrond om deze terug te zetten tegen mijn stam. Als ik een dergelijke topper kan aanschaffen tegen een redelijke prijs zal ik dat ook zeker doen.”

Tot zover Ben Hendriks de schatbewaarder van het Wanroyras die tot slot aangeeft aankomend jaar helaas maar met enkele duiven te kunnen spelen omdat hij een marter in het hok heeft gehad die 30 oude vliegers heeft gedood.


6 Januari 2018

Voorouders van de Postduif / De Gelderse Slenk

De Gelderse Slenk zal de meeste (post)duivenliefhebbers weinig zeggen. Degenen die in de omgeving van Amsterdam, Lelystad of Almere wonen kennen de naam wellicht alleen van het gelijknamige natuurgebied met plassen en moeras nabij Zeewolde. Dat het ook de naam van een zeer oud Nederlands vliegduivenras is, is slechts bekend bij een klein percentage duivenliefhebbers die zich wat meer hebben verdiept in andere (vlieg)duivenrassen dan alleen in de postduif. Een erg grote rol heeft de Gelderse Slenk waarschijnlijk niet gehad bij de totstandkoming van de huidige postduif. Maar dat er vanuit zuidelijke plaatsen als Nijmegen, Zutphen en Arnhem exemplaren in België terecht gekomen zijn en daar gebruikt zijn als kruisingsmateriaal lijkt zeer waarschijnlijk.

De Postduif zoals wij die heden ten dage kennen is begin van de 19e eeuw ontstaan uit kruisingen tussen diverse vliegduivenrassen. Vliegduivenrassen werden al in de 15e en 16e eeuw in ons land gehouden. Zo waren er aan het eind van de 17e eeuw in ons land en de omringende landen diverse duivenrassen die om hun bijzondere vliegeigenschappen werden gefokt. Sommige soorten hoogvliegers werden gehouden om hun eigenschap om zo lang mogelijk hoog in de lucht te kunnen blijven (het duurvliegen tot meer dan 20 uur) en andere soorten werden weer gefokt om hun eigenschap om zo snel mogelijk tot zeer grote hoogte te kunnen stijgen. Daarnaast waren er Tuimelaars, Ringslagers, Smijters en Slenken die hun herkomst hadden in India en werden gehouden om hun bijzondere vliegeigenschappen als draaien en tuimelen. Veel hoogvliegers en tuimelaars waren daarnaast ook goede kladvliegers. Als de eigenaren zagen dat er vreemde duiven tussen vlogen werd de klad snel naar beneden geroepen in de hoop de vreemde duiven te kunnen vangen en terug te verkopen aan de eigenaar of te verkopen op de markt aan andere liefhebbers, of voor het vlees. Een andere vliegduivensoort was de kropper. Hiervan werden er destijds al verschillende soorten gehouden. De kleine kroppers die als één der voorouders van de postduif hebben gediend waren waarschijnlijk nazaten van de Oploper, een ras dat niet meer bestaat maar waarvan de Holle Kropper een nazaat is. Deze duiven werden vooral gehouden om hun vermogen andere duiven te kunnen lokken. De Slenken en de Smijters hebben volgens C.A.M. Spruijt net als de Holle Kropper als voorouders de Oploper. De Slenk is naar verluid ook gebruikt om in te kruisen op de voorlopers van de Holle Kropper, om zo de gewenste hals en halslengte te krijgen. Waarschijnlijk ligt de oorsprong van de Slenk, net als van de kropper in het door de Moren bezette gebied van Spanje en zijn ze meegekomen in de Tachtigjarige oorlog naar het Noorden. Eveneens uit Spanje kwamen de kroppers naar Nederland met het doel ze als lokduiven te gebruiken. In Spanje werd namelijk met kroppers getraind om wilde Rotsduiven te vangen. Die werden vroeger veel gegeten.

HOLLE KROPPER van Gerrit Deuzeman

Een belangrijke inbreng hebben duiven gehad die behoren tot de groep Wratduiven, zoals Valkenets en Carriers. Deze werden al voor onze jaartelling in landen als Irak, Iran (het vroegere Perzië) en Egypte gefokt om koeriersdiensten te onderhouden. Toen rond het begin van de 19e eeuw duiven werden geselecteerd op hun vermogen om snel naar huis te komen over grote afstanden, werd dan ook gebruik gemaakt van deze duiven die beschikten over een goed oriëntatievermogen en zeer sterk waren. De eerder genoemde vliegduivenrassen werden met elkaar gekruist en met de nakomelingen hiervan werd aan wedvluchten deelgenomen. Met de besten werd steeds verder doorgefokt en gedurende de eerste 50 jaar van het bestaan van de postduif werd nog door verschillende liefhebbers verder geëxperimenteerd met het kruisen van diverse soorten vliegduiven met postduiven. Rond 1850 waren er grofweg twee foklijnen ontstaan waar liefhebbers succesvol mee waren. Het Luikse soort, waarvan kruisingen met de diverse vliegrassen en de Luikse Barbet, een wat kleiner Meeuwenras aan ten grondslag lag. De andere stroming was de Antwerpse soort, dit waren kruisingen van vliegrassen met de Smierels (ook een meeuwenras) en de eerder genoemde Valkenetten en Carriers. Deze twee lijnen werden later gekruist waardoor uiteindelijk de huidige postduif is ontstaan. De Carriers die werden gebruikt kwamen veelal uit Engeland, waar het ras een grote aanhang kende in die jaren. In sommige boeken wordt ook gesproken over het gebruik van Dragoons in plaats van Carriers. De postduiven van honderdvijftig jaar geleden waren dus nog lang niet zo gelijkvormig als tegenwoordig. Tussen 1800 en 1900 bezaten vele postduiven nog kuiven, strikken (jabots), of zeer grote neusdoppen en grove vlezige uitwassen rond de ogen (wratten). Stonden ze hoog op hun poten of juist heel laag, lieten sommigen nog iets van een krop zien en was er veel meer verschil in grootte dan tegenwoordig. Ook zag je een enorme veelzijdigheid aan kleuren. Veel van die kleuren worden tegenwoordig door de gemiddelde postduivenliefhebber betiteld als miskleuren.

NEDERLANDSE HOOGVLIEGERS van Bram Wassenaar

In de loop van zo’n tweehonderd jaar zijn de specifieke raskenmerken van de verschillende rassen bij de hedendaagse postduif als het ware samengesmolten. Maar wanneer er fors wordt ingeteeld zie je de diverse specifieke kenmerken van hun voorouders regelmatig terugkomen. Denk bijvoorbeeld aan de kuiven bij de z.g. Aardens en Hermans (Theelen). Deze kuiven (soms ook kapjes genoemd) is een raskenmerk van de Smijter en de Ringslager die hieraan nauw verwant is. De recessief rode kleur (Choco) vooral bekend van de Meulemansduiven komt bij Hoogvliegers, Tipplers en Tuimelaars veelvuldig voor. Maar ook bij de Indiase Carriers zie je deze Chocokleur nog veelvuldig. Deze Carriers werden overigens nog tot 2002 in afgelegen gebieden door de politie in India gebruikt om in noodcommunicatie te kunnen voorzien bij natuurrampen. Deze Carrier Pigeon Service bestaat nog in zeer afgeslankte vorm, maar de Carriers zijn inmiddels grotendeels vervangen door postduiven die hun herkomst in België hebben. En zo is de cirkel weer rond.

Zoals hiervoor al geschreven is het zeker dat de Gelderse Slenk via de gemeenschappelijk voorouder de Oploper sowieso nauw verwant is aan de voorouders van de postduif. Dit geldt uiteraard ook voor de Groningse Slenk die voornamelijk in de stad Groningen werd gehouden. In de 19e eeuw werd de Gelderse Slenk in en rondom Zutphen, Enschede, Nijmegen, Elst en Arnhem gefokt. Het ras was erg geliefd vanwege de speciale manier van vliegen. Na de tweede wereldoorlog was het ras vrijwel uitgestorven. Maar door toedoen van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen, het Geldersch Landschap en Kasteelen (GLK) en inspanningen van (nieuwe) fokkers om het oude vliegtype in ere te herstellen, is de Gelderse Slenk voorlopig voor uitsterven behoed.

GELDERSE SLENKEN van de GLK

Tegenwoordig is het ras regelmatig op tentoonstellingen te zien, maar niet iedere fokker houdt de Gelderse Slenk echter meer als vliegduif. Om de specifieke ras- en vliegkenmerken van de Slenken te bewaren is structurele samenwerking gezocht met de Groninger Slenken Club en zo is in 2010 in een gezamenlijke slenkenclub ontstaan, de GGSC: http://www.groningerengelderseslenkenclub.nl/rasgegevens.html Op het kasteel Doorwerth wordt jaarlijks een oogstfeest op het binnenhof van Kasteel Doorwerth georganiseerd. Een onderdeel van dit oogstfeest is de Slenkendag die door Johan Ruys medewerker van de GLK wordt georganiseerd. In de tuin van het kasteel worden Gelderse Slenken gehouden en Johan is hiervan de verzorger. Naast het bezichtigen van deze duiven kunnen liefhebbers ook zelf duiven meebrengen om te showen, te ruilen of te verkopen.

Voor wat betreft de eigenschappen (de standaard) waaraan de Gelderse Slenk moet voldoen aangaande zijn uiterlijke verschijningsvorm verwijs ik naar de standaard zoals die vermeld staat op de website van de GGSC. Daar het in deze column vooral gaat om zijn vliegeigenschappen, wil ik dit artikel afsluiten met een beschrijving te geven van de zeer specifieke manier van vliegen van de Gelderse Slenk. Nadat ik ze bij het kasteel heb zien rondvliegen kan ik me voorstellen dat deze duif vroeger vele bewonderaars had. Het is een heel spektakel. Tijdens het vliegen worden de vleugels boven en onder krachtig, luid klepperend, tegen elkaar geslagen. Daarbij is de kop opgericht en heeft de staart een holle waaiervorm. Het vliegen bestaat uit drie onderdelen, te weten 1) springen of steken: met een klein aantal krachtige vleugelslagen (op)stijgen; 2) zwemmen of trekken: zich met krachtige vleugelslagen vooruitwerpen; en 3) zeilen of drijven: met opgeheven vleugels (langzaam dalend) vooruit varen. Hoe steiler de slenk opstijgt (met zo weinig mogelijk vleugelslagen), hoe beter. Wanneer voldoende hoogte is bereikt, begint het zwemmen. Na elke (zwem)slag 'gooit' de slenk zich 10 tot 15 meter vooruit en stijgt hij met een schok van soms wel 1 meter (wederom springen). Het zwemmen lijkt op de bewegingen van een hobbelpaard. Bij het zeilen staan de vleugels enkele seconden stil in een V-vorm. Hoe langer een slenk krachtig springt en zwemt met opgeheven kop en gespreide holle staart, des te meer waarde heeft hij.

Voor deze column heb ik gebruik gemaakt van verschillende boeken van C.A.M. Spruyt, het boek “Taubenrassen” van Axel Sell en de website van de GGSC. Daarnaast heb ik John Logemann die veel kennis heeft van de Holle Kropper en ook op postduivengebied weet waar Abraham de mosterd haalt, gevraagd om mee te lezen. Ook ben ik dank verschuldigd aan Johan Ruys die me afgelopen zomer zijn collectie Gelderse Slenken liet zien en daarbij veel over dit ras heeft verteld. Ook heeft Johan net als John mijn concepttekst meegelezen en van commentaar voorzien.

 

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl